Alle berichten van Joyce Hes

Bewijs van onvermogen

De laatste tijd staat de politie sterk onder druk. Eigenlijk blijkt steeds duidelijker dat het vormen van een nationale politie niet zo’n goed idee was.
Er is bezuinigd op die geledingen van de politie die juist voor de mensen in wijken zo belangrijk zijn, er zijn veel interne problemen, het diversiteitsbeleid blijkt maar niet van de grond te komen, er is structurele discriminatie door de politie geconstateerd door een teamchef met veel ervaring binnen de organisatie en zedenzaken en verkrachtingen blijven veel te lang op de plank liggen (zie recent Nieuwsuur).
In de praktijk van haar functioneren krijgt de politie te maken met tanend gezag op straat en dat ligt waarschijnlijk niet alleen aan de politiemensen zelf. In het programma De wereld draait door van 5 september klaagt Erik Akerboom, hoogste baas, erover dat de politie ieder uur wordt belaagd en te maken krijgt met gewelddadigheden.
Twee politiemensen die door Van Nieuwkerk worden bevraagd en zelf slachtoffer waren van geweld tegen de politie, of de taser zou helpen antwoorden dat ze zich vooral ergeren aan de houding van politiek en Justitie  die onvoldoende achter ze zou staan.
Zo zou er serieuzer moeten worden gereageerd op geweld tegen politiemensen. Nu ontsnappen die mensen vaak.

Allereerst: de tijd is veranderd. Dat werd al geconstateerd op een Conferentie in 2000 georganiseerd door de Stichting Maatschappij Samenleving en Politie (SMVP).
Het gezag van politie maar ook andere vanouds bekende gezagsdragers zoals de onderwijzer en de burgemeester is minder vanzelfsprekend geworden.
Dat hoeft geen verbazing te wekken.
Wat mij wel verbaast is dat de oplossing voor dat tanende gezag steeds vaker wordt gezocht niet in verhoging of verbetering van de professionaliteit van de politie en bijv het aanbieden van meer en betere cursussen en verbeterde opleiding, of ook in het vaker gebruikmaken van oudere agenten die qua levenservaring meer gezag zouden kunnen uitstralen, maar het zoeken van de oplossing in wapentuig en versoepeld gebruik ervan.
In mijn tijd, van de Coornhert Liga, waren we hier nog mordicus tegen, maar ja de tijden zijn inderdaad veranderd en daarmee ook de  bewustwording rond de risico’s van meer en meer wapentuig.
We leven in een Trumpiaanse tijd waarin het simpele geroep op Twitter het lijkt te winnen van een wat langer durende publieke discussie zoals Habermas die zou hebben bedoeld.
In een dergelijke sfeer is de roep om wapens ter verdediging van politiemensen, aantrekkelijker dan een roep om meer gezag en professionaliteit, want ja dat laatste, hoe bereik je dat en gaat dat dan niet teveel kosten? Overigens schijnt de uitrusting van politiemensen met tasers 15 miljoen op jaarbasis te kosten. Hoeveel kun je daarvan doen qua verbeterde opleiding en verbeterde representatie van de bevolking bij de politie?
Nu heeft onze minister Grapperhaus dus de taser aan de politie beloofd.
Daarmee kun je mensen letterlijk ‘kalt stellen’ zonder dat je ze doodt (zie daarvoor mijn eerdere blog over ‘suicide by cop’).
Je moet natuurlijk wel in een flits beoordelen of ze misschien niet een pacemaker hebben of anderszins absoluut niet kunnen tegen elektrische stroomstoten, maar ja dat heb je met schiettuig ook.
Dat het daar nogal eens misgaat (zie dus eerdere blog) is kennelijk geen reden om van de taser af te zien.
Waar in de psychiatrie inmiddels weer vaker depressies of bepaalde uitwassen van angsten met elektroshocks worden behandeld (instructief was indertijd: One flew over the Cuckoo’s nest uit 1975) ziet de politie er ook geen been in om nu met tasers te gaan werken tegen aanvallen die als gewelddadig en of ernstig bedreigend worden ervaren…?
Toch is dat niet helemaal waar want in 2017 was er nog een intern rapport van de politie waarin het gebruik van tasers werd afgeraden en deze zomer was er een hoop commotie over een demente bejaarde bij wie de taser was gebruikt in een verzorgingstehuis.
In een scriptie uit 2012 over het gezag van de politie van Okke van Gelderen, Kees Schoonen en Jan de Vogel van de Politieacademie stellen ze als eindconclusie: “Professionaliteit kan er in ieder geval voor zorgen dat de afbraak van de gezagspositie minder snel verloopt en indien dit verwaarloosd wordt kan men rekenen op uitholling van het politiegezag. Er is behoefte aan herkenbare gezichten, zoals wijkagenten”.
En: “Wij zijn na ons onderzoek niet meer zo van het gedachteloze zwaard in de handen van het bestuur” (pag 57).
Het gebruik van tasers duidt in de huidige omstandigheden inderdaad op dit gedachteloze zwaard. Ik zou zeggen: stel binnenshuis eens wat orde op zaken alvorens je met stroomstoten in de weer gaat.

Samen vooruit

Als je zelf op Groen Links hebt gestemd bij de gemeenteraadsverkiezingen en er wordt een links College geformeerd met na enige tijd een Groen Links-burgemeester, dan verwacht je wat als burger van Amsterdam.
Nu zal het anders worden, denk je.
Er zal meer aandacht worden gegeven aan bewoners-initiatieven, aan wijken onder druk zoals ik die heb genoemd in een advies dat de Harmonisatieraad  Welzijnsbeleid uitbracht in 1989 en er zal meer recht worden gedaan aan de buurt en de mensen die er wonen.
‘Recht doen aan de buurt’, is de titel van het boek dat de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie in 2001 heeft uitgegeven.
Daarin schets ik een zogenaamde personalistisch perspectief op pag 109, waarbij wordt gekeken in hoeverre professionals en instellingen vooral bezig zijn met een top-down proces met legitimatie achteraf of om een bottom-up proces dat mensen zelf vorm geven en hoe dan precies in verband ook met de grote verschillen in beleving en behoeften van mensen in de buurt.
In het stuk van het gemeentebestuur Samen Vooruit Op weg naar een stevige sociale basis in Amsterdam, waarin een stedelijk kader 2020-2023 wordt geschetst, word ik op mijn wenken bediend als we het over dat bottom-up proces hebben.
Het stuk begint al met een levensverhaal van een (verzonnen?) Hannah die uit Egypte komt en allerlei problemen heeft. Oa heeft ze een moeilijke zoon die niks wil. Bovendien heeft ze gezondheidsklachten en is ze te zwaar.
Opeens is daar de aardige buurvrouw Sherida die haar uit haar lethargie bevrijdt door voor te stellen dat ze meedoet aan een wandelclub. De buurvrouw is vrijwilliger in het Huis van de Wijk de Meeuw. Bij de wandelclub ontmoet ze Truus, die met haar naar het Formulieren-café gaat waar ze door de vrijwilliger Eddy kan worden geholpen met haar formulieren en schulden. Kortom sinds de lieve buurvrouw zich over Hannah ontfermt is er sprake van een positieve spiraal, Hannah valt ook nog eens af en hoeft minder vaak naar de dokter. Eind goed al goed en dat vooral door die lieve mensen die elkaar zonder eigen belang helpen.
Verderop in het stuk wordt (overigens zonder duidelijk te maken hoe precies in deze casus) beklemtoond dat het gemeentebestuur de vrijwillige inzet koestert, stimuleert en ondersteunt.
Bij de inleiding wordt meteen al twee keer het begrip leefwereld gebruikt van de Amsterdammers, dit tegenover de bekende systeemwereld, begrippen die ik in de jaren tachtig heb leren kennen uit de theorie van Habermas.
Bij ‘uitwerking bouwstenen’ blijkt dat de gemeente bewoners en wijkondernemers serieus neemt en initiatief van en door Amsterdammers hoog op haar agenda heeft staan.
En nog eens op pag 9 “Het vertrekpunt is de kracht en de capaciteiten van individuele mensen en wat ze elkaar te bieden hebben”.
Men stelt zich als doel: “Maximaal benutten van talenten van Amsterdammers, zodat zij zich kunnen ontplooien”. En: “de rol van de gemeente is het bevorderen, waarderen, stimuleren en ondersteunen van initiatieven gericht op samenredzaamheid als die niet vanzelf tot stand komen”. Daar bedoelt men mee, zo begrijp ik, dat het netwerk van mensen  wordt versterkt, en daar kan de gemeente bij helpen.

Maar bij leidende principes gaat het dan toch een beetje fout: Onder het kopje ‘Resultaatgericht’, lezen we: “We werken aan een stedelijke monitor waarin we met een klein aantal vergelijkbare resultaat-indicatoren beter kunnen sturen op de sociale basis en de registratielast kunnen beperken. Dit vraagt een gezamenlijk commitment op het goed vergelijkbaar maken van een beperkte dataset en deze te verrijken met kwalitatieve informatie”.
Hallo Hannah en Sherida zijn jullie er nog?
En deze: “We maken onderscheid in opgaven die we beleidsmatig doorontwikkeling (moet zijn doorontwikkelen) en uitvoeringsopgaven die als soort van rode draden in alle gebieden terugkomen. Dit kunnen organisatorische opdrachten zijn, zoals het geval is bij het eenduidiger aansturen van de  welzijnsinstellingen, of meer inhoudelijke opgaven als Welzijn op recept”.
En waar “resultaat-sturing” om de hoek komt kijken moet de lezer opeens echt gaan opletten.
Wat is daarbij nog de rol van de stadsdelen en vooral van de stadsdeelcommissies laat staan de bewoners zelf? Opeens blijken bij het stuk over herschikking en herverdeling van financiële middelen sociale basis vanaf 2020 bepaalde budgetten buiten het kader vallen (het woord vallen is weggelaten…?) zoals buurtbudgetten, kunst en cultuur, burgerparticipatie, voedselbanken en kinderboerderijen met als redelijk desastreus effect dat bv een buurtkrant geen subsidie meer krijgt per 1-1-2019.

De buurtkrant in stadsdeel Oost, waar ik als vrijwilliger actief ben, wordt in zijn geheel door vrijwilligers bemensd en vult zijn kolommen met inhoudelijk kwalitatief hoogstaande maar ook toegankelijke stukken over alledaagse zaken waar de bewoners van dat stadsdeel mee te maken hebben, kortom met de leefwereld van de buurtbewoners en er wordt aandacht besteed aan actieve mensen in de buurt (een ruime buurt dus want omvat ook Oostelijk Havengebied en IJburg).
Je zou zeggen: zo’n buurtkrant voorziet in een informatiebehoefte, noodzakelijk in een democratie, een informatiebehoefte ook van al degenen die nu niet zo bureaucratisch vaardig en digitaal behendig zijn. Ook heel nuttig voor de  sociale zelfredzaamheid, zeiden we vroeger ipv samenredzaamheid en het is natuurlijk overduidelijk dat hier zeer gemotiveerde vrijwilligers zich maximaal inzetten voor de buurten en hun bewoners.

Wat kunnen we nu concluderen na lezing van de talloze stukken?
Het blijkt om een zogenaamd ‘work in progress’-proces te gaan, veel goede bedoelingen, weinig echte inspraak, in elk geval op dat gebied weinig transparantie en er moet ‘werkendewijs’ worden geleerd.
Hoezo? Als je als gemeente of stadsdeel geen subsidie meer verstrekt kun je toch moeilijk spreken van het koesteren , stimuleren of ondersteunen van vrijwilligerswerk?
Misschien moeten we toch eens gaan kijken naar de website van de in welzijnsland zo bekende Groen Linkser Jos van der Lans. Hij heeft onlangs, 6 augustus jl, nog een gastcolumn geschreven waarin hij zijn eigen ervaringen weergaf als actief buurtbewoner in het Oostelijk Havengebied
Hij kon niet anders concluderen dan dat “een doordachte visie over wat een gebied nodig heeft om bewoners die actieve participerende rol te laten spelen die in alle collegeakkoorden zo fraai geformuleerd staat, ontbreekt”. Hij vindt het hapsnap en hem lijkt dat “alles toch iets te willekeurig om in het sociale domein structureel verhoudingen op een andere leest te schoeien”.
Nou en als Jos dat al vindt…

Kattekwaad

Er is al veel geschreven over de zoon van Femke Halsema, teveel waarschijnlijk, maar ik zit toch nog met een paar dingetjes.
In de eerste plaats: Wie heeft er nu eigenlijk, van de politie neem ik aan, gelekt naar De Telegraaf? En met welk doel? Kan dat zomaar?
Als de zoon van de melkboer hetzelfde zou doen als de zoon van de burgemeester komt zijn zaak niet in de openbaarheid. Halsema had de gegevens van haar zoon afgeschermd, zo horen we nog steeds maar uit de brief van 14 augustus van haarzelf horen we dat het OM dat had gedaan uit voorzorg en ook de zaak had overgeheveld naar het parket van Haarlem. Hoe kan het dan dat  de Telegraaf er zo pal bovenop zat. Waarom?
Voor wie het antwoord niet weet, kijk nog eens naar de serie De Clinton-affaire, waarin is te zien hoe Clintons tegenstanders  er verwoed op uit zijn hem beentje te lichten en dolblij met Bills dubieuze seksuele gedrag. In het geval van Halsema is daar geen sprake van alleen dus van een puberende zoon, die op een kwetsbare leeftijd is voor wat ik noem ‘kattenkwaad’.
Er zijn immers geen doden of gewonden gevallen.
Bij de vorige burgemeester had dat, zo begrijp ik zijn weduwe uit een column van haar in Het Parool, anders kunnen uitvallen. Hij reed op dezelfde leeftijd onrechtmatig in de auto van zijn vader en had iemand kunnen aanrijden, zeker toen hij door de politie werd gevolgd en veel te hard er vandoor ging. Overigens zonder aangehouden te worden omdat hij ontsnapte. Het was een mooie column van Femke van der Laan waarin ze de motieven en angsten van de zoon prachtig en invoelbaar weergeeft.
Nee, waar ik als moeder van deze puberende zoom me echt zorgen over zou hebben gemaakt is dat nep-pistool.
Als hij bij thuiskomst het verhaal had verteld over zijn inbraak in een verlaten woonboot, de politie die hen had betrapt en het weggegooide nep-pistool had ik hem opgelucht gezoend.
Schat, had ik gezegd, dat je een verlaten woonboot betreedt met je vriendjes en daar tijdelijk je intrek neemt in plaats van ze hier in de burgemeesterswoning op de thee te vragen, alla daar is in te komen maar bedenk wel daarbij dat je een bevoorrechte positie hebt en geen ‘We are here’ bent en ongedocumenteerd.
Maar dat van dat nep-pistool, joh dat is een pak van mijn hart. Dat had heel anders kunnen aflopen!
Weet je, we hebben hier in Amsterdam nl de inmiddels populaire ‘suïcide by cop’. Ik heb zelfs persoonlijk de politie nog de hand boven het hoofd gehouden nadat ze een depressieve jongeman  met een nep-pistool hadden doodgeschoten. ‘Van het leven bevrijd’ zouden we hier in Amsterdam zeggen.
Mijn God zeg, ik moet er niet aan denken dat ze jou met zo’n pistool hadden aangetroffen. Ik blijk namelijk vijanden te hebben, schat, die graag op mij schieten en ze zitten kennelijk ook te lekken bij het politieapparaat.
Wat te denken van zo eentje die zijn kans schoon ziet en schiet?
Niet op mij maar op mijn zoon, op jou dus…
En dan niet figuurlijk maar letterlijk onder het motto: de zoon bleek suïcidaal?

Dit klinkt natuurlijk wel heel stug. We leven hier niet in de States met de bekende cowboy-mentaliteit om van alles wat je niet zint en voor de loop van je geweer komt af te knallen maar toch…

Beste burgemeester, wordt het geen tijd voor een gedegen en goed onderbouwd nep-pistolen-beleid, waarbij wordt voorgesteld extra cursussen aan te bieden aan politiemensen die hiermee te maken krijgen en juist om doden onder puberende jongeren, die op elke hoek van de straat en op internet een nep-pistool kunnen kopen en psychisch noodlijdende mensen, in de toekomst te voorkomen?

Met boosheid schiet je niet zoveel op…

Vanaf vandaag wil ik u geen sprookjes meer vertellen (zie vorige blogs) maar gaan we ons weer even bezig houden met de ‘harde’ werkelijkheid.
“Met boosheid schiet je niet zoveel op,” aldus de Groen Links-burgemeester van Schiermonnikoog Ineke van Gent in de uitzending van Een Vandaag deze week.
Ze is van de ‘kleine stapjes’ waar het de milieuramp betreft die Schiermonnikoog maar ook Terschelling heeft getroffen, toen in de nacht van 1 op 2 januari dit jaar containerschip MSC Zoe tijdens een zware storm 342 containers verloor ten noorden van de Wadden.
Schiermonnikoog kreeg de volle laag. In de containers zaten onder meer zakken van 25 kilo met plastic korreltjes die desastreus zijn voor vogels en het milieu en zeer slecht te verwijderen. Ook zijn er nog veel containers die verloren zijn, niet getraceerd en is nu al wel bekend dat er een paar bij zitten die zeer giftige stoffen als lithium bevatten.
Terugkijkend op de ramp is Van Gent “trots dat zoveel mensen meehielpen met opruimen,” en vertelt opgewekt over al het jutten op het strand.
Ik keek naar de uitzending van Een Vandaag en zat me wèl boos te maken. Hoe kan het dat een burgemeester van een partij als Groen Links zo gezellig doet in een uitzending die gaat over een vreselijke milieuramp die het eiland is overkomen?
Ze benadrukte maar steeds dat ze optimistisch van aard is, zich niet boos maakte want daar had je dus niets aan, maar wel strijdvaardig…
Dat laatste kwam bij mij als kijker niet echt over.
Ze begon wel meteen over het geld dat Schier nog te goed had van de rederij van het schip, iets wat wellicht de gemiddelde Hollander zal aanspreken, maar juridische procedures om ze te dwingen meer informatie te geven over containers die nu nog in zee liggen, om deze en dergelijke bedrijven wellicht via de EU te dwingen containers te chippen en een andere vaarroute te nemen, ik hoorde er niets over.
Op de site stond wel meer. Daar vroeg ze zich oa af: Wil je nutteloze goederen nog van hot naar her vervoeren in een gebied dat kwetsbaar is als het misgaat? Worden containers wel goed vastgemaakt? Kiest men wel de goede route? maar: “ik zeg er niet bij dat we het containervervoer moeten gaan stoppen,” aldus Ineke van Gent.
Als een Groen Links-burgemeester al zo relativerend doet over een dergelijke vreselijke ramp hoe moeten we als burgers dan nog iets van onze overheid verwachten?
In juni was ik op Terschelling voor een midweek Oerol en ik vroeg de burgemeester aldaar die toevallig op mijn pad kwam, waarom Oerol niet werd aangegrepen om een echte actie richting Den Haag te voeren betreffende de (ook nog te verwachten) milieuschade op het eiland. Hij zei dat hij in Den Haag niet eens mocht praten over een ‘ramp’.
Het woord ‘ramp’ had hij niet in de mond mogen nemen.
Tja, vinden we het dan gek dat er burgers opstaan die alleen nog in burgerlijke ongehoorzaamheid een middel zien om aandacht te vragen voor de schade aan milieu en klimaat!
Extinction rebellion, een actiegroep, milieubeweging, ontstaan in Engeland vindt inmiddels dat we het sociale contract met de overheid moeten ontbinden.
De basis van het sociale contract tussen burgers en overheid bestaat eruit, aldus XR dat de burgers een deel van hun vrijheid opofferen in ruil voor bescherming door de overheid. Op dit moment ondernemen overheden echter niet de snelle, grootschalige acties die nodig zijn om hun burgers en het natuurlijk erfgoed te beschermen.

Dat maakt in elk geval de uitzending van Een Vandaag wel duidelijk. Snelle acties, dus niet stap voor stap en als het even kan ook juridisch en internationaalrechtelijk. Daarin verschil ik wellicht van Extinction Rebellion. Ik heb nog wel fiducie in ‘je recht halen’.
Maar volgens Van Gent heeft de rederij die de ellende veroorzaakt zulke goede advocaten dat je daar niet veel tegen doet en dat het dus allemaal heel veel tijd in beslag gaat nemen.
Heeft zij dan nog wel fiducie in ‘je recht halen’?
Heeft ons land, onze staat, geen goede advocaten?
Kunnen die ons eigen nationale erfgoed niet verdedigen met alle  (juridische) middelen die hen ten dienste staan ?
De vraag doet zich ook voor of al die Duitsers die onze Waddeneilanden bezoeken soms geen baat hebben bij een andere vaarroute en een vermijding van calamiteiten ?
Kan onze regering niet overleggen met de Duitse over de vaarroutes van de Duitse schepen?
Nee, kennelijk geven we hier in dit land de voorkeur aan de zogenaamde kleine stapjes en hebben we het liever niet over een ramp.
Ik ben ook voor redelijkheid en matigheid maar ook ik voel op mijn 73e dat de geesten rijp zijn voor het ‘redden van de aarde’, liefst met juridische middelen maar desnoods met het lamleggen van verkeer of andere acties in plaats van een gezellige fietstoer over het eiland met een verslaggever van Een Vandaag.

Anders; sprookje van deze tijd

Er was eens een jongetje, dat heette Anders. Dat kwam zo. Toen hij werd geboren lag hij al anders in zijn moeders buik, hij lag niet alleen in een stuit, dus met zijn beentjes naar beneden in plaats van naar boven maar ook nog eens gedraaid. De vroedvrouw kon hem er niet uit krijgen en in het ziekenhuis waren ze stomverbaasd, zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt. Het werd een spoedoperatie en alles verliep verder voorspoedig, maar zijn moeder begreep dat er met deze jongen iets bijzonders aan de hand was en noemde hem Anders.

Zijn vader was vrachtwagenchauffeur en op dat moment ver weg een vracht aan het afleveren. Later toen hij weer terug was en Anders zag, zei hij als eerste commentaar: nou jij bent wel een heel vreemde vracht zeg die je moeder afleverde! Anders zag er ook een beetje anders uit dan de meeste baby’s, hij had van het begin af aan diepblauwe ogen die heel verwonderd keken en wenkbrauwen die een boogje maakten. Twee maantjes zei zijn moeder trots, want zijn moeder hield van hem, juist omdat hij Anders was.

Hij groeide op als een gewone jongen, maar wel een die altijd veel vragen stelde. Maar ja dat doen nu eenmaal veel kinderen dus niemand had er erg in dat Anders anders naar de wereld keek. Behalve misschien zijn moeder die zei dat Anders een oude ziel was. Zijn vader vond dat soort opmerkingen altijd onzinnig en riep dan: “Je moeder doet weer zweverig,” maar stiekem hield hij ook daarom wel van haar. Gek genoeg hield haar ‘zweverigheid’ hem met zijn nuchtere aard in evenwicht.

Na veel aandringen had Anders toen hij 10 jaar werd van zijn moeder een hondje gekregen, een lief klein schapendoesje met veel haar, dat hij vaak uitliet in het park tegenover hun huis. Als hij daar dan liep met Wolletje, want zo had hij haar genoemd, viel het hem op dat er zoveel mensen waren die op een klein schermpje keken. Bij hem thuis had zijn moeder daar een stokje voor gestoken. Anders werd schermloos opgevoed, ze hadden geen tv, geen I-phone of I-pad want de moeder van Anders vond dat ‘weggegooid geld’. En de vader van Anders was te vaak weg om er bezwaar tegen te maken. Als hij thuis kwam zei hij wel dat hij naar de kroeg ging om daar tv te kijken als er een belangrijke voetbalwedstrijd was. Dat vond zijn moeder prima, want zijn moeder was gesteld op haar rust, zei ze.

Misschien dacht Anders wel eens, was zijn moeder het liefste alleen gebleven. Ze leefde met ‘entiteiten’, zo noemde ze dat, geesten uit het verleden, zoals haar ouders die allebei jong gestorven waren. Ze voelde die nog steeds heel duidelijk om zich heen. Voor haar was dat allemaal heel gewoon, ze sprak ze ook wel eens aan als Anders in de buurt was en Anders leerde ermee te leven. Het was voor hem of de doden net zo goed nog leefden als de levenden.

Dus toen hij zag dat zoveel mensen in het park hardop praatten tegen een scherm of gewoon in de lucht, terwijl er geen mensen in de buurt waren, sprak hij hen aan en vroeg hen of ze soms praatten tegen hun dode moeder. Ze lachten hem uit en vonden hem maar raar maar gaven zelden antwoord. Anders viel het ook op dat ze zo druk bezig waren met naar dat kleine scherm te kijken dat ze de mooie luchten niet zagen, het zonlicht dat zo prachtig door de bladeren scheen of hun kind met de mooie blonde of bruine haren dat hun aandacht vroeg maar niet kreeg omdat ze maar naar dat scherm keken en praatten.

Op een keer stapte Anders af op een vrouw met een bolle buik die met haar rechterhand een kinderwagen voortduwde waarin een kind lag te huilen terwijl ze constant naar een scherm keek in haar linkerhand. “Mevrouw,” riep hij, maar ze kon hem niet verstaan want ze had oordopjes in, “mevrouw, uw kind ligt te huilen, hoort u dat wel?”

De aanstaande moeder reageerde eerst niet maar toen Anders samen met Wolletje vóór de kinderwagen ging staan, zodat ze er niet meer langs kon deed ze waarachtig haar oordopjes uit, klapte haar scherm in en hoorde zo haar kind huilen en Anders zijn vraag. “Waar bemoei je je mee,” vroeg ze, en: “Je staat in de weg! Ik was bijna over je hond heen gereden”. “Mevrouw,” bleef Anders beleefd vragen: “wat is er zo belangrijk aan dat scherm dat u uw kind niet meer ziet en hoort? Houdt u zich bezig met geesten misschien? Dode mensen?” Tot Anders grote verbazing begon ze keihard te lachen, haha haha, ze kwam niet meer bij, “geesten, hoe kom je erbij jongen, ben je niet goed snik? Ik werk! Ik probeer mijn kind en werk te combineren. Ik ben met anderen een app aan het ontwikkelen die je waarschuwt als je kind huilt. De meeste mensen zijn net als ik zo bezig en druk met andere dingen dat ze hun kinderen niet meer horen huilen. Dat hoeft ook niet erg te zijn maar nu ontwikkelen wij een app, die je een signaal geeft als er echt iets ernstigs aan de hand is. En omdat iedereen wel zijn scherm in de gaten houdt zien ze dus ook wanneer ze aandacht aan hun kind moeten besteden”.

“Maar mevrouw,” zei Anders met zijn diepblauwe verbaasde ogen en zijn hoog opgetrokken maanwenkbrauwen, “u hoeft toch alleen maar uw oordopjes uit te doen en uw scherm weg te gooien om uw kind te horen huilen?” “Ja dat is het het hem juist, dat kan ik niet,” zei de vrouw, “want dan mis ik teveel. Dan mis ik de hele wereld, raak ik geïsoleerd en kan ik mijn geld niet meer verdienen. Je moet wel mee met je tijd en deze tijd vraagt nu eenmaal om contacten die via een scherm lopen.”
“Maar,” zei Anders nog, “mijn moeder praat met geesten via haar kaarten en letters, wat is dan nog het verschil?” Maar de vrouw was alweer verder gelopen, ze had haar oordoppen weer in en haar scherm weer geopend in haar hand. Haar kind in de wagen was gestopt met huilen, misschien niet omdat ze aandacht had gekregen maar omdat haar moeder opeens anders had geklonken dan normaal.

Een andere keer zag Anders een jonge vader met zijn dochtertje. Ze lagen op een kleed. De vader zat ook steeds naar het scherm te kijken terwijl zijn dochtertje zijn aandacht probeerde te trekken. Anders bleef van een afstand het geheel een tijdje bekijken en keek ondertussen op zijn horloge hoelang de vader erin slaagde om niet naar zijn dochtertje te kijken maar naar het scherm. Na bijna een kwartier, Wolletje werd onrustig, dacht Anders net ik stap er eens op af om te vragen wat er aan dat scherm nu zoveel interessanter is dan zijn dochtertje, toen hij het meisje hoorde vragen het leek meer op smeken: “Papa, neem je een foto van me?”

En waarachtig, als bij toverslag, draaide haar vader zich naar haar om, nam haar even een seconde op, pakte zijn scherm en stelde in. Zijn dochtertje begon alsof hij een teken had gegeven lief te lachen en hij drukte op het subtiele knopje, bekeek de foto tevreden en nam er vervolgens nog een paar. Op dat moment zag hij Anders en Wolletje staan kijken, hij wenkte hen en liet vol trots de foto’s zien die hij zojuist gemaakt had. “Mooi meisje hè? mijn meisje,” en hij gaf zijn dochter een knuffel en wendde zich weer tot het scherm.

Anders kon niet eens zijn vraag meer stellen, de man was vertrokken naar een andere wereld leek het wel. Sindsdien experimenteerde Anders met de schermmensen zoals hij ze noemde. Hij liet bijv met opzet winden of een boer, of dingen vallen in hun bijzijn, riep zelfs een keer “Brand!” in de bus maar niemand reageerde. Alleen de chauffeur was heel boos geworden en had hem uit de bus gezet. Het leek wel of de mensen blind en doof waren, hun omgeving niet meer opmerkten noch de mensen die zich tegenover of naast hen bevonden. En door de oordoppen kon je ze ook moeilijk aanspreken want ze hoorden je gewoon niet. De enige mogelijkheid was, zo begreep Anders, dat je zelf zo’n scherm aanschafte en ook mee ging doen op de sociale media, die hij niet sociaal kon vinden. Dan kon je ze allemaal bereiken, dan namen ze je pas serieus en dan kon je ook geld verdienen, begreep hij. Heel veel geld zelfs als je een app ontwikkelde die tegen iedereen die zijn scherm ervoor openstelde “Yo” zei of liet zien waar je kind gebleven was of waar je naar toe kon vliegen voor het goedkoopste tarief.

Want dat veel mensen weg wilden vliegen was Anders nu we duidelijk, ze wilden deze wereld ontvluchten, de wereld om hen heen niet zien, ze wilden elders zijn  bij mensen die ze niet kenden van wie ze het gezicht nooit hadden gezien maar met wie ze wel in contact stonden, zoals zijn moeder in contact stond met geesten, die geen lichaam hadden, die niet fysiek aanwezig waren, die je niet konden omhelzen maar ook geen klap konden geven, van wie je eigenlijk weinig wist, je wist bijv niet hoe oud ze eigenlijk waren, ze konden zich voordoen als een ander, ze waren in zekere zin inwisselbaar.

Anders was een slimme jongen, hij was nu eenmaal anders en terwijl anderen het juist om antwoorden was te doen, stelde hij vooral veel vragen aan mensen die hij in zijn jonge leven tegenkwam, aan zijn ouders, zijn leeftijdgenoten (vrienden had hij niet echt), zijn docenten, of zomaar mensen in het park. Maar zijn vader was nu eenmaal vaak weg en zijn moeder was nu eenmaal vaak bezig met geesten, dus in een andere wereld. Jongens en meisjes van zijn leeftijd vonden hem maar raar en reageerden zelfs niet meer als hij hen weer wat vroeg bijv waarom ze niet meer om zich heen keken alleen nog naar een klein schermpje en of ze wel gelukkig waren in deze hen omringende wereld.

En juist omdat hij slim was, had hij iets bedacht. Hij bedacht al op jonge leeftijd, hij was toen 16 en zou net als zijn vader vrachtwagenchauffeur worden, dat als hij nou een app zou maken met de vragen die hij altijd stelde, dat ze dat dan wel zouden zien en misschien zelfs beantwoorden. En hij bedacht nog meer, als hij nou eens een vragen-app maakte, eentje die het vragenstellen stimuleerde, iedereen kon via de app zijn vragen die hij eigenlijk altijd al had, stellen en dan konden ze daar antwoord op krijgen van anderen, van deskundigen of gewoon van anderen die ook met dezelfde vragen zaten.

En toen hij dat aan zijn moeder vertelde was ze meteen enthousiast, “Schat,” zei ze “dat is nou precies wat ik altijd doe. Iedere dag stel ik mijn levensvragen aan de geesten van mijn moeder en mijn vader en al degenen die me omringen. Ik ben met hen echt in gesprek en ik leer zoveel van ze,” en ze knuffelde hem. Maar het verschil tussen Anders en zijn moeder, zo bleek al snel toen Anders zijn plan uitvoerde en zich had bekwaamd als it-er, was, dat Anders binnen de kortste keren rijk werd, het geld stroomde binnen, want inderdaad zijn voorspelling kwam uit, zijn app werd een hit.

Iedereen keek nu op zijn schermpje of zijn vraag al was beantwoord en ook naar de vragen van anderen. Er werden prijzen bedacht voor de slimste vragen en ook voor de vragen die niet te beantwoorden waren. Het werd een nationaal spel, een vragenspel. Iedereen begroette de ander, op zijn scherm wel te verstaan met: heb je nog een slimme vraag voor me?

En Anders werd beroemd als uitvinder van het nationale vragenspel en Anders was niet meer anders, hij werd heel normaal gevonden, één van hen. Maar toen  hij voor een tv-uitzending werd geïnterviewd en ze hem vroegen hoe hij ertoe was gekomen om dat spel en die app uit te vinden, antwoordde hij niet maar begon de interviewer vragen te stellen. “Denkt u echt,” zei hij “dat ik nu gelukkig ben omdat de mensen mijn vragen nu wel zien en er aandacht aan besteden. En: mag ik u wat vragen? Wilt u gezien worden, ik bedoel gezien als mens, als mens met vragen, die nu eenmaal iedereen heeft die zomaar is geboren en zomaar weer doodgaat?” De interviewer was zo verbaasd dat hij antwoordde: “Natuurlijk dat wil toch iedereen. Daarom heb ik dit vak ook gekozen om gezien te worden, op een scherm weliswaar maar toch”.

“Denkt u”, vroeg Anders toen, “dat ik nu ik die App heb uitgevonden, en  ik nu ik veel geld heb en beroemd ben en niet meer anders wordt gevonden, dat ik nu gezien wordt?”.
“Nou ja”, pruttelde de interviewer nog, “dat zou ik toch wel denken. Hoe moet je anders gezien worden?”. “Precies, dat is het, hoe moet ik Anders gezien worden, dat is de vraag!” zei Anders, “dat is de goede vraag”. En toen voegde hij er iets aan toe waardoor de kijker maar ook hijzelf opeens erg schrok want hij was helemaal niet gewend om zijn gevoelens te uiten laat staan om iets heel krachtigs te stellen.

“Maar,” zei hij, riep eigenlijk meer, “ik heb er genoeg van om als een geest behandeld te worden, ik ben niet dood ik leef!!! Ik ben Anders en ik wil gezien worden, aangeraakt, geknuffeld, desnoods geslagen, ik ben van vlees en bloed,” en tot grote schrik van de interviewer griste hij een voorwerp van tafel en begon zichzelf daarmee  te prikken en te bewerken, wat het was kon de kijker niet zien, maar dat het iets materieels was dus niet virtueel dat was wel duidelijk. Het bloed spoot er aan alle kanten uit bij Anders.

En hij riep erbij: “Ziet u mij? Ziet u mij nu?” Zijn moeder die op Anders verzoek zat te kijken, schrok zich dood, ze was speciaal naar het naburige café gegaan om het programma te zien waarin haar zoon zou optreden en opeens vroeg ze zich af of het verstandig was geweest dat zij altijd maar met haar entiteiten bezig was geweest en zo weinig aandacht aan haar jongen had besteed. En ook de klasgenoten van Anders schrokken zich dood, hadden ze hem nooit echt gezien? Waren ze altijd met andere dingen bezig geweest, hoe belangrijk was dat scherm eigenlijk?

Het was een groots moment, een moment van totale verwarring, iedereen die keek begon te twijfelen aan zichzelf en aan het scherm, maar het duurde maar kort, zeker niet langer dan 5 minuten, dat de interviewer van de schrik moest bekomen. Er ging een alarm af in de studio en er kwamen vier mannen van de beveiliging binnen, ze pakten Anders vast en onder het spreken van geruststellende woorden voerden ze hem af.

Buiten stond een ambulance klaar, ze spoten hem plat en brachten hem naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Omdat Anders veel geld had hoefde hij niet naar een inrichting maar kon hij thuis verpleegd worden en werd ervoor gezorgd dat hij tijdig zijn medicijnen kreeg.

Anders stelde niet veel vragen meer maar berustte in zijn lot. En zijn moeder, de enige die werkelijk was veranderd, bezocht hem elke dag, nam lekkere dingen voor hem mee en knuffelde hem en zei dan tegen hem: “Anders, ik heb je nooit echt gezien jongen, dat spijt me, nu haal ik de schade in. Jij bestaat, ik houd van je juist omdat je Anders bent”.

En dan lachte Anders, want dan was hij op zijn manier gelukkig, dat was waar hij al die tijd op uit was geweest, dacht hij nu.

  • De naam Anders was al bedacht voordat Anders Breivik in Noorwegen zijn afschuwelijke daden verrichtte en staat daar dus helemaal los van.

Bartje; sprookje van deze tijd

Er was eens een jongetje dat Bartje heette Bartje de Vries. Eigenlijk heette hij Bartholomeus de Vries Robbé van Havercorn tot Rijswijk, maar dat vond iedereen te lang, dus werd het De Vries. En ook Bartholomeus bleek niet haalbaar, je roept nu eenmaal als moeder niet: Bartholomeus de pap is klaar of zoiets. Dus het werd Bartje.
Het gekke is wel dat het nooit Bart werd, Bart, Bartholomeus dus eigenlijk, bleef Bartje tot op hoge leeftijd.
Bartje had een goede inborst. Zijn vader zei altijd: Bartje is te goed voor deze wereld en omdat hij dat vond en bang was dat Bartje daar erg onder zou gaan lijden, hij had zelf de oorlog ternauwernood overleefd door iemand anders een stuk brood afhandig te maken, probeerde hij hem streng op te voeden.

Dus als Bartje tegen zijn jongere broertje zei: “Jij mag mijn taartje wel hebben,” als er weinig taart was, zei zijn vader: “Nee Bartje, sta nou eens eindelijk op je strepen, jij eet dat stuk taart op!” En dat deed Bartje dan, maar wel met lange tanden.

Op school was het ook niet makkelijk dat hij zo’n goede inborst had. Hij werd al gauw gepest door brutale jongens, die dan expres iets ondeugends deden in de klas en als de onderwijzer het niet door had en vroeg wie iets had gedaan gaven ze Bartje de schuld.
Maar als je nou denkt dat Bartje dom was, wat veel mensen en ook kinderen dachten, dan heb je het mis. Bartje was helemaal niet dom, hij zag veel en dacht veel na en hij vond de wereld al toen hij heel klein was raar in mekaar zitten.
Waarom, dacht Bartje bijv, worden we geboren en met heel veel moeite groot gebracht om dan toch later weer dood te gaan?
Niemand kon hem dat uitleggen en hoewel hij in zijn beginjaren veel vragen aan zijn ouders stelde, hield hij daar al gauw mee op, toen hij zag dat ze toch geen antwoorden konden geven en ze er geen raad mee wisten, ze werden er gewoon zenuwachtig van.

Omdat hij dus niet meer zoveel vroeg en vervolgens ook niet meer zoveel zei en aldus ook volgens zijn moeder zich ‘het kaas van zijn brood liet eten’, maakten zijn ouders zich steeds meer zorgen en lieten Bartje al vroeg testen. Wat bleek? Bartje bleek een heel hoog IQ te hebben, hij was zo werd gezegd eigenlijk hoogbegaafd en hoog-sensitief!
Iedereen stond versteld, hij kreeg meteen een andere plek in de klas, letterlijk en figuurlijk.De school kreeg speciale subsidie voor hoogbegaafde kinderen dus was het algehele gevoelen dat Bartje een ereplek moest krijgen. Met Bartje konden ze opeens scoren, zo heette dat toen. Want in de wereld waarin Bartje opgroeide ging het om ‘scoren’, op het voetbalveld natuurlijk, want dat was de algemene sport waar iedereen van hield of van moest houden, maar ook in de kunst of in de wetenschap of op de televisie.
En als je had gescoord zo werd Bartje al spoedig duidelijk, werd je BN’er, dat is dat je bekend werd en bekend betekende dat je overal voorrang kreeg. Je kreeg bijv de beste plek bij een wedstrijd, welke ook, als je ziek werd gingen ze extra aandacht aan je besteden en zelfs de rechter werd voorzichtig als een BN’er iemand aanklaagde of zelf werd aangeklaagd.
BN’er moest je dus zien te worden dacht Bartje. Maar hoe kun je nu BN’er worden als je een goede inborst hebt? En bovendien hoogbegaafd? Want als je een goede inborst hebt gaat het je er niet om te scoren maar gaat het je om het spel zelf en vooral de sportiviteit, het samen met anderen spelen of alleen spelen want daar hield Bartje eigenlijk het meeste van. Hij had weinig vriendjes omdat hij de andere kinderen vaak niet begreep en ze hem maar raar vonden, zo aardig en dus onbetrouwbaar want als je zo aardig was als Bartje geloofden ze er niet in. Dat kon gewoon niet waar zijn. En hij maakte vaak opmerkingen die niemand begreep zoals: waarom vind je het eigenlijk zo leuk om aldoor op een scherm te kijken naar iets wat niet bestaat? Kijk dan liever naar dat meisje dat net gevallen is en haar knie heeft bezeerd.
Ja, hoor riepen ze dan in koor, dat is nou net weer iets voor Bartje! Dat meisje heeft haar knie bezeerd, jammer joh, moet ze maar niet zo stom zijn om te vallen, eigen schuld dikke bult, of woorden van die strekking.
Bartje werd dus voorzichtig met anderen. Hij leerde zich alleen te vermaken. Bijv door de natuur in te gaan en tegen een boom te praten. Zijn ouders bleven zich zorgen maken ook al wisten ze nu dat hij hoogbegaafd en hoog-sensitief was en bedachten dat ze maar een hond voor Bartje moesten kopen. Dat deden ze en het hondje, een lieve schapendoes met heel veel haar dat ze knuffel noemden, en Bartje werden onafscheidelijk.

Maar natuurlijk ging Bartje ook naar de middelbare school waar hij knuffel niet mee naar toe kon nemen. Het werd het gymnasium en daar zaten meer hoogbegaafde en hoog-sensitieve kinderen op, maar het verschil was wel dat een goede inborst daar weer veel moeilijker was te vinden. Veel kinderen hadden van hun ouders meegekregen dat het erg belangrijk was om te scoren en dat ze moesten zorgen altijd nummer één te zijn. En dat betekende dat ze daar heel veel voor over hadden. Zo waren er nogal wat klasgenoten die stiekemerds waren, ze deden als de leraar keek heel oplettend en maakten een goede indruk maar nauwelijks verslapte de aandacht even of ze keken af bij anderen of prikten hun buurvrouw in de rug.
Bartje zag dat allemaal en kon er niet tegen, maar wilde het ook niet verklappen aan de leraar, dus ‘trok hij zelf steeds aan het kortste eind’, zo noemden ze dat bij hem thuis.
Bartje was dus te goed voor de wereld, liet zich de kaas van het brood eten en trok zodoende ook nog aan het kortste eind.
Een duidelijk geval van een ernstige afwijking in de wereld waarin Bartje opgroeide.
Zijn ouders gingen met Bartje naar een bevriende psychiater, een bijzonder aardige man die meteen al tegen zijn ouders zei dat ze hem met Bartje even alleen moesten laten.

Toen ze alleen waren was de eerste vraag die hij Bartje stelde: “Bartje wat vind jij van het leven? Wat zou je willen met het leven dat je gekregen hebt?” En Bartje zei zonder aarzelen: “BN’er worden, maar ik weet niet hoe dat zou moeten met mijn goede inborst”. En hij vertelde de psychiater dat hij buiten zijn ouders om zich had opgegeven voor het tv-programma De Mol-junior, een programma waarbij iemand de mol is en dat je dan de mol moet vinden. Als je daaraan meedeed kon je BN’er worden, werd gezegd.
Maar Bartje was afgewezen omdat hij niet kon liegen en bedriegen en dat was nodig voor dat programma en je moest ook je beste vriend kunnen verraden. Dat was nu juist ook zo leuk vonden ze daar op tv.
De psychiater hoorde zijn verhaal aan en moest heel erg lachen om Bartje.
“Weet je wat jij moet worden,” zei hij lachend, “je moet eerst slecht worden, gewoon van dat ‘goede inborst’-image af want beste Bart, ik mag wel Bart zeggen hè? Dat is allemaal onzin hoor. Jij bent tweede generatie oorlogsslachtoffer dat kan iedereen zien, je ouders hebben de oorlog overleefd omdat ze voor zichzelf opkwamen en dat nemen ze zichzelf nu nog kwalijk. Want naar hun idee gingen alle ‘goede’ mensen naar de gaskamers en werden geëxecuteerd omdat ze onderduikers hadden of in het verzet zaten of gewoon een verkeerde vader of moeder.Ze zijn bang dat hun kinderen te kwetsbaar zijn en het niet zullen overleven. Jij bent een heel gewoon kind hoor maar je ouders dachten maar steeds dat je veel te goed was en dus kwetsbaar, laat je niks wijsmaken hoor, jij bent net als alle anderen ook gewoon slecht en goed, een mix van van alles en nog wat!”

Dat gesprek luchtte Bartje enorm op en vanaf dat moment liet hij zich Bart noemen en hoefde van zichzelf geen goede inborst meer te hebben laat staan te zijn.

Hoe is het nu eigenlijk afgelopen met Bartje die Bart werd? Toen hij zijn middelbare schooltijd had doorlopen en als een van de besten slaagde voor zijn eindexamen, is hij begonnen om zijn droom zoals hij dat noemde waar te gaan maken en dat was BN’er worden. Niet studeren of op wereldreis gaan zoals veel van zijn klasgenoten maar goed om zich heen kijken en kijken waarmee je BN’er werd. En Bartje die zich nu Bart liet noemen en zijn volledige achternaam begon te gebruiken om meer indruk te maken, zag  dat er een paar goede mogelijkheden waren om bekend te worden bijv een grote brand stichten, hard schreeuwen op 4 mei op de Dam, een overval plegen, een top BN’er ontvoeren en dan was er grote kans dat je op tv kwam in een zogenaamde College Tour, waarbij studenten aan je lippen hingen. Je kon dan ook meteen je levensverhaal schrijven of laten schrijven en dat boek dat dan uitkwam werd zo goed verkocht dat je binnen was voor je hele leven.
Maar je kon natuurlijk ook oplichter worden, vaak eerst onzichtbaar bijv als financieel adviseur of bij een bank. Als je dan directeur van zo’n bank werd die valse beleggingen had uitgegeven waaraan heel veel mensen veel geld hadden verloren kon je later directeur van een toezichthouder op de banken worden, zo bleek Bart. Of in de politiek, je zei van alles wat je zou gaan doen en kreeg dan veel stemmen en dan kreeg je een mooie baan en werd bovendien bekend en deed dan iets heel anders. Of je schreef stukken in kranten die helemaal niet klopten en dan dachten mensen dat de wereld zo in elkaar stak. Of je bedroog de mensen door te beweren dat kanker te genezen was en dan wist je zelf wel beter maar toch zei je dat om dan weer geld te krijgen of je vervalste gewoon je resultaten van onderzoek om weer geld te krijgen. Al die mensen werden bekend, schreven boeken over zichzelf en mochten altijd op de eerste rij zitten bij een voetbalwedstrijd.

Bart zag dat en dacht dat kan ik ook. Ik ben mijn hele leven een goede inborst geweest, we gaan de bakens eens verzetten, zo noemde hij dat. En omdat hij toch nog steeds een beetje eerlijk was koos hij voor de georganiseerde misdaad, gewoon omdat iedereen dan wist dat hij misdadiger was en dat was wel zo eerlijk vond Bart. Dus na 24 jaar goed doen ging hij nu mis doen. Hij overviel een bank, maar op een tijdstip dat er niemand aanwezig was, kraakte een kluis en jawel hij kon er niets aan doen maar gaf tweederde van het geld aan arme mensen die hij toevallig kende, moeders in de bijstand. Eigenlijk werd hij een herverdeler, hij haalde geld weg bij de rijken en gaf het aan de armen, maar hield er zelf toch ook wel een aardig zakcentje aan over. Dat nu werd bekend, men wist niet wie het was maar dat er een grote crimineel was die aan herverdeling deed, daar kreeg men lucht van. En dat kon natuurlijk niet want nu paste hij nergens meer in, hij was niet slecht maar ook niet goed, hij was bekend maar ook weer niet. Na veel zoeken wist een journalist die onderzoek deed op het gebied van de georganiseerde misdaad hem op te speuren en interviewde hem op een geheime locatie.

Nu was iedereen geïnteresseerd. De minister van Veiligheid, vroeger heette dat Justitie wilde hem heel graag hebben als crimineel burgerinfiltrant, dat was een prachtbaan en een carrière voor misdadigers die zich toelegden op oplichting en verraad, een soort De Mol voor volwassenen. Maar Bart zag dat niet zitten. Want wat hij als groot inzicht in zijn leven kreeg is dat hij juist veel bekender was als hij zich niet bekend maakte en toch achter de schermen opzienbarende dingen deed. Zo dachten zijn ouders dat hij een keurige baan als boekhouder had, zijn vrouw dat hij zzp-er was, dat is een zelfstandig werkende ondernemer en veel thuiswerk deed en zijn kinderen dat hij een goede vader was maar ook geen watje.

En zo leefde Bart als mix van goed en kwaad nog lang en gelukkig! En de psychiater die hem ooit had onderzocht? Die lachte in zijn vuistje en dacht “Ach, wat een mooi vak heb ik toch!”

Het land van de meerdere levens; sprookje van deze tijd

Er was eens een meisje dat Esmeralda heette, een mooie naam voor een mooi meisje zeiden haar ouders. En dat was ook van haar geboorte af aan de bedoeling.
Esmeralda zou mooi zijn van binnen èn van buiten, zo was beschikt vonden ze. Ze groeide op in een land waar meisjes als ze de leeftijd ervoor hadden dus vanaf 12 tot 14 jaar rijp werden gevonden, zoals een appel rijp wordt gevonden als hij een bepaalde tijd aan de boom hangt.
Meisjes waren voorbeschikt om mooi te zijn en dat dan vooral niet ten behoeve van henzelf of het eigen genot maar juist voor anderen. Meisjes groeiden op om vrouwen te worden die anderen dienden en dan vooral de man.

Want zo stond het geschreven in dat land: Een man is als het kolkende water van de rivier. Hij is onrustig. Hij wil de wereld ontdekken, stromen. Een vrouw is zijn oever. Zij geeft hem richting, damt hem in. Zij bundelt zijn kracht. Dat is de natuur van man en vrouw. Ze hebben elkaar nodig. Een rivier die niet ingedamd wordt stroomt over, richt ravage aan, vernielt en verliest uiteindelijk al zijn kracht. Maar ook een oever waarlangs geen water stroomt verbrokkelt, valt uit elkaar. En een vrouw werd natuurlijk – met de nadruk op natuurlijk – moeder. Ze kreeg kinderen en liefst ook veel, waarvoor ze zorgde omdat dat haar natuur nu eenmaal was: zorgen. Het was eigenlijk vrij simpel in dat land, iedereen zo vond men had één leven hier op aarde, maar dat leven stond in het teken van een leven na de dood. Dus eigenlijk had je meer levens, één nu en eentje hierna.

Dat was Esmeralda al heel vroeg geleerd toen ze met haar ouders naar een groot gebouw gingen waar een meneer in het zwart daarover vertelde en hoe mooi het leven hierna wel was. Maar juist omdat het leven hierna zo mooi kon zijn moest je in het leven hier mooi zijn van binnen en als het even kon van buiten maar dat laatste was al eigenlijk het geval als je mooi van binnen was. En om mooi van binnen te zijn , en dus van buiten moest je goed naar die meneer in zijn zwarte jurk luisteren want hij wist precies hoe je mooi van binnen en dus ook van buiten werd.Zo vond hij het heel gewoon dat meisjes thuis bezig waren met van alles en nog wat.
Het was niet de bedoeling dat ze stilzat, zo zei Esmeralda’s  moeder ook, ze werd de hele dag aan het werk gezet want er moest een heleboel gebeuren, schoongemaakt, de was gedaan en bij hen thuis waren er 7 kinderen, dus 9 mensen, boodschappen gedaan, eten gemaakt, gezorgd voor de kleintjes enzovoort enzovoort.
Esmeralda was een lief meisje en luisterde heel goed naar die meneer in het zwart en ook naar haar ouders maar ze begreep ze niet.
Hoe kon, dacht ze, een meneer dus een man, nu weten wat goed was voor een meisje zoals zij? En waarom had hij nou zo’n zwarte jurk aan die hem helemaal niet stond? Want Esmeralda bleek van jongs af aan een talent te hebben om kleding te maken en ook te ontwerpen. .

Haar ouders vonden dat wel goed want dat zou haar voor haar latere taak als huisvrouw en moeder wel goed uitkomen om zelf kleren te maken voor haar kinderen, dat zou ook minder kosten.
Toen Esmeralda 12 was ging haar oma dood. Ze had altijd een hele goede band met haar oma gehad en die had haar verteld dat ze als ze doodging naar de hemel zou gaan en daar opa weer zien en dat ze dan het erg goed zouden hebben samen, een soort eeuwige vakantie met altijd mooi weer en dan zou ze echt gelukkig zijn.
Maar toen haar oma daar bij hen thuis lag opgebaard keek Esmeralda eens goed en oma zag er helemaal niet gelukkig uit, integendeel ze was heel grauw en had een ingevallen mond en was ook heel koud als je haar aanraakte en dat vond Esmeralda maar griezelig.
Ook had oma een zwarte jurk aan en al degenen die bij hen op bezoek kwamen hadden ook zwarte jurken aan en Esmeralda dacht: hoe kan dat nou, als oma in de hemel komt en het daar zo fijn is, waarom is niemand dan blij voor oma en waarom doen ze allemaal zo droevig?

De meneer in de zwarte jurk in het grote gebouw hield voor oma een afscheidsspeech.
Die ging ook helemaal niet over een mooie vakantie en een fijne tijd met opa, maar over de zondes die oma gehad zou hebben en Esmeralda begreep maar steeds niet wat dat waren zondes, maar daar had die meneer het wel heel vaak over.
Haar moeder zei wel eens als ze  melk knoeide, hè wat zonde! Maar dat kon die meneer toch niet bedoeld hebben, want oma knoeide nooit melk.
In diezelfde tijd begon Esmeralda opeens te bloeden vanonder en ze schrok zich dood. Ze durfde het niet tegen haar moeder te zeggen maar die had het al heel snel door en zei: Es, want soms noemde ze haar Es, van nu af aan moet je oppassen voor mannen want die willen wat van je en dat moet je ze niet geven pas als je met één van hen getrouwd bent.
Dus vanaf toen begon Esmeralda haar buurjongens te wantrouwen en zelfs haar broers en vader want misschien wilden ze wel wat van haar wat ze niet kon geven en als ze dat toch gaf was dat een zonde had haar moeder gezegd.

Nu had Esmeralda 5 broers en één zusje, een jonger zusje, ze scheelde een jaar met Esmeralda en leek ook op haar maar ze was “recalcitrant” zo noemden haar ouders haar. Ze vonden haar lastig omdat ze vaak moeilijke vragen had waarop niemand antwoord kon geven. Haar zusje zei en vroeg eigenlijk wat Esmeralda ook dacht maar niet zei of vroeg.
Haar zusje heette Lotje en als ze weer eens lastig was zeiden haar ouders: jij verandert nog eens in een zoutpilaar! Want in het grote boek dat hun ouders lazen was Lot doordat ze omkeek, wat ze niet mocht, veranderd in een zoutpilaar.
Lot of Lotje had toen ze hoorde dat Esmeralda bloedde opeens gezegd: weet je wat jij moet doen Es? Je moet naar het land van de meerdere levens gaan, weg van hier!
Nu kan het nog hoor. En jou verdenken ze niet want jij bent altijd zo lief en gehoorzaam en mij houden ze in de gaten.

En Esmeralda had Lotje gevraagd: wat is dat dan voor land en wat bedoel je eigenlijk?
Lotje had geheimzinnig gefluisterd: dat is een land niet ver hiervandaan, eigenlijk best dichtbij, daar hebben ze grote schermen waar je naar kan kijken en waarop je de hele wereld kan zien en meisjes en jongens zijn wel anders maar niet zoals bij ons.
Nu was Esmeralda ook wel op gevallen dat jongens veel meer mochten, ze hoefden niet thuis te blijven en waren ook niet bang om iets aan meisjes  te geven wat ze niet mochten geven en wat een zonde was.
Ze hoefden de was niet te doen en konden lekker buitenspelen en ravotten zonder dat iemand tegen hen zei dat ze vies werden. Ze mochten ook veel meer zeggen. Hun vader vond dat wel leuk en zei dan dat haar broers slim waren en later vast gingen leren.
In het grote gebouw zaten de jongens en de mannen vooraan en konden altijd goed zien wat er gebeurde en dronken na afloop een glaasje van het een of ander, terwijl de meisjes en vrouwen naar huis gingen om het eten te bereiden.

Lotje zei: in dat land van de meerdere levens  is de vrouw geen oever, maar zijn vrouwen net zo onrustig als mannen en willen ook de wereld ontdekken en stromen en hoeven de ander niet te dienen of zichzelf in te dammen. Ze hoeven alleen maar te bedenken wat ze zelf eigenlijk zouden willen. Misschien willen ze wel helemaal geen man!
Toen Lotje dat zei, schrok Esmeralda en legde een vinger op de mond van haar zusje en zei: Ssst, houd op dat is een zonde!! Jij komt vast niet in de hemel dadelijk.
En Lotje zei: Nou dat hoef ik niet hoor, het lijkt me alleen maar erg saai daar!

Die nacht sliep Esmeralda niet, ze was gaan twijfelen over wat Lotje had gezegd.
Dat was ook zo’n flapuit, maar soms zei ze wel goede dingen…
Vaak had ze ook naar zo’n land verlangd, waar je zelf iets in te brengen had als meisje, waar je lot niet vastlag en je niet voorbestemd was. Jaren gingen voorbij waarin Esmeralda niet meer terugdacht aan wat Lotje gezegd had tot haar moeder een keer tegen haar zei: Esmeralda, trek een nette jurk aan en breng thee in de mooie kamer bij je vader en Winter en zijn ouders.
Esmeralda schrok. Zou dat nu de man zijn voor wie zij was voorbestemd?
Ze kende Winter al langer, hij woonde verderop en keek haar altijd schuins aan. Niet recht maar schuins en niet schuin maar schuins.
Alsof hij iets van haar wou en dat kon ze hem niet geven wist ze nu al langer maar dat wou ze ook niet want Winter was niet mooi van buiten maar dacht ze meteen, ook niet van binnen.
Onmiddellijk dacht ze terug aan de woorden van haar zus Lotje een paar jaar geleden.

En terwijl ze de jurk aantrok en de thee bereidde met een koekje erbij liet ze haar gedachten gaan over het land van de meerdere levens.
Wat had Lotje alweer gezegd? Dat land lag dichtbij en meisjes en vrouwen konden er meerdere levens tegelijk hebben.
Ze geloofden daar niet in een leven na dit leven maar wel in een aantal levens die tegelijk plaatsvonden. Zo kon je moeder worden en toch veel buitenshuis zijn, je kon zelfs reizen in die tijd naar verre landen, want dan werd er voor je kind gezorgd.
Je mocht ook werken bijv als verpleegster in een ziekenhuis waar ook mannen lagen die je dan verzorgde, wat in hun land niet kon of verkoopster worden en allerlei publieke functies uitoefenen als buschauffeur of onderwijzeres.
Je hoefde je niet steeds te bedekken en mocht gewoon je vrouwelijke vormen laten zien zonder dat dat dan een zonde was.
Je mocht zelf een man uitzoeken op wie je verliefd was, zo heette dat daar.
En als dat niet beviel ging je bij hem weg en nam een andere, net zoals mannen dat mochten in hun land zeker als de vrouwen geen kinderen konden krijgen.
En dat alles bedacht ze toen ze thee maakte en inschonk voor Winter en zijn ouders.

Winter keek nog steeds schuins en lachte op een speciale manier, waar ze zenuwachtig van werd. Ze morste. Dat was geen reclame voor haar als schoondochter, want aanstaande echtgenotes mochten niet morsen natuurlijk. Maar het leek wel of Winter dat niet zag.
Na een moeilijk uurtje waarin niet veel werd gezegd, ging ze weer naar boven.
Even later kwam haar moeder boven en vertelde dat ze het eens waren geworden.
Zij paste heel goed bij Winter vonden beide ouders, dus de overeenkomst was beklonken. Ze zouden de maand daarop trouwen.

’s Avonds vertelde Esmeralda aan Lotje wat haar lot zou zijn en hoe over haar was beschikt. Lotje reageerde zoals Esmeralda gedacht had: Es, ga weg, ga nu weg, nu het nog kan! Ik kom je achterna als ik kans zie en dan hebben we elkaar daar in dat land.
Ik ken iemand die je kan helpen de oversteek te maken, want je moet met een boot naar de overkant. Ik zal niks zeggen op mijn erewoord! Als je weg bent en ze je missen zal ik niet zeggen waar je bent.

Je moet in de nacht vertrekken. Ik zal vragen of degene die ik ken en die wel meer meisjes naar de overkant brengt je kan halen op een onopvallende manier.
En zo kwam het dat Esmeralda die nooit iets had gedaan dat tegen de wensen en bevelen van haar ouders inging nu op een nacht, haar spullen bij elkaar pakte (dat was niet veel maar wel een paar poppen en wat lappen en een schetsboek) haar zusje kuste en uit haar raam stapte en in de nacht verdween met kloppend hart.

Tegenover hun huis stond op een donkere plek een auto geparkeerd. Daarin bleek de hulpverlener, een aardige jongen met een grote baard te zitten en nog twee meisjes achterin die ze niet kende. Haar moeder had haar nog wel gewaarschuwd voor vreemde mannen omdat die er wellicht op uit waren haar in een harem, een soort gevangenis met één man en veel vrouwen waar hij dan over kon beschikken, te stoppen, waar ze nooit meer uit zou kunnen komen. Maar zo zag deze jongen er niet uit. Hij was vriendelijk, ze stapte in bij de meisjes achterin en zo begon haar tocht naar het land van de meerdere levens.

Hoe is het nu Esmeralda vergaan daar in dat land?
Esmeralda bereikte de overkant. Later bleek dat veel meisjes die zo vertrokken uit het land van één leven hier en één hierna de overkant niet bereikten of zomaar verdwenen toen ze eenmaal in het land van de meerdere levens waren aangekomen.
Maar Esmeralda had geluk, ze ontmoette op haar tocht een aardige man die niets van haar wou maar alleen maar weg wou net als zij en ook vluchtte voor een bestemming die niet de zijne was. Hij hielp haar en wou toen wel met haar trouwen maar Esmeralda zei hem dat ze eerst wou kijken hoe ze zelf haar leven  kon leiden en of dat mogelijk was zo zonder man. Ze dacht aan haar zusje en miste haar vreselijk natuurlijk.

Ze stuurde haar ouders een brief maar die kwam ongeopend terug.
Toen ze 10 jaar in het land van de meerdere levens was besloot ze haar ouders een brief te schrijven over het land van de meerdere levens en haar ervaring daar.

Die brief luidde als volgt:

Lieve pap en mam,
Ik mis jullie en wat ik vooral mis is de bestemming die jullie en niet alleen jullie maar de meneer in de zwarte jurk voor mij in petto hadden.
Een bestemming die jullie zelf niet hadden bedacht maar een nog hogere meneer die in de hemel zat.
Dat alles leek zo simpel, zo eenvoudig, en ook zo saai.
Ik wilde meer, ik wilde het leven proeven, weten wat het is dit leven, ik was meer geïnteresseerd in dit leven dan in het leven hierna omdat ik me daar geen voorstelling van kon maken. Hoe kun je je hele leven eigenlijk opgeven voor het idee dat het na dit leven zo mooi zou kunnen zijn terwijl je daar helemaal geen bewijs van hebt? Integendeel. Dode mensen zien er helemaal niet uit of ze iets heel moois beleven.
Ik wou gewoon weten hoe het is om te kunnen kiezen, om je eigen leven vorm te geven als meisje en vrouw en je niet te laten bepalen door je bestemming of je man die je niet eens zelf hebt uitgekozen!
Dat is nu wat ik heb uitgevonden in dit land van de meerdere levens!
Ik heb niet alleen het land bereikt, ik heb heel veel bereikt, ik heb nu een andere naam: Esmée en een eigen blad, tijdschrift met die naam, ze noemen het een glossy. Ik doe de redactie, ik schrijf columns, stukjes, ik organiseer heel veel en ben inmiddels ook bekend bij een groot publiek.
Verder heb ik een lieve man gevonden die me bewondert, de afwas doet en me steunt in alles. Ik heb ook twee schatten van kinderen.
Meer vinden mijn man Joris en ik niet nodig.
We hebben het goed samen.

En nu komt het: ik verveel me zo!
Het gekke is dat ik denk dat als ik bij jullie was gebleven ik me ook zo had verveeld maar dan anders. Hier in het land van de meerdere levens moet je perfect zijn. Je hebt maar één leven en dus komt het erop aan om in dit ene leven alles te stoppen wat je in huis hebt.
Je moet genieten zo noemen ze dat, je moet er mooi uitzien vooral van buiten en omdat er geen verhullende kleding is zie je hier ieder vetbobbeltje, dus wordt men extra kritisch vooral op vrouwen gek genoeg, want mannen lopen hier vaak met dikke buiken. Seks is belangrijk zeggen ze, je moet een bevredigend seksleven hebben, je moet een goede moeder zijn, een goede partner, een goede vriendin, je moet regelmatig op vakantie dat wil zeggen dat je weg moet uit dit land naar landen waar ze veel minder levens hebben en niet weg kunnen. Want dan heb je verhalen als je terugkomt en dat vinden ze hier belangrijk.
Je moet het druk hebben en belangrijk zijn! Je moet zoveel hier in dit land van de meerdere levens, lieve ouders, en er zijn ook een heleboel mensen die dat niet meer aan kunnen, ze worden overspannen.
Ze hebben genoeg geld, ze hebben een mooi huis, leuke kinderen maar ze kunnen de spanning niet meer aan om voor alles in het leven verantwoordelijk te zijn.
Ze worden vaak ook gek, veel meisjes hebben eetproblemen omdat ze de verantwoordelijkheid en de perfectie niet aan kunnen.
Weet je, de mensen haten zichzelf hier in dit land, ze zijn allemaal bezig om machines uit te vinden die de mensen kunnen vervangen omdat ze niet meer in mensen geloven, omdat die zo imperfect en zo kwetsbaar zijn.
Ze zeggen allemaal nare dingen over mensen op dat grote scherm wat ze de hele dag aan hebben staan. Mensen zijn niet te vertrouwen, mensen doen hele erge dingen enzovoort enzovoort. Zo weinig positiefs terwijl dat er ook best is hoor!
Als ik naar mezelf kijk weet ik het soms niet meer. Dan kijk ik naar mijn kinderen, twee meisjes waar Joris heel erg van houdt en die hij graag een goede toekomst wil geven en dan denk ik: ja maar wat is je toekomst dan? Dat je ook overspannen raakt, dat je niet in jezelf gelooft of constant weg moet naar andere landen omdat je ontevreden bent, dat je steeds je verantwoordelijkheid wil ontvluchten omdat je die te zwaar vindt?
Want in dit land ben je alleen, je wordt pas echt gewaardeerd als je de ander niet nodig hebt, ook in de liefde. Ze noemen dat: de ander moet de slagroom op het toetje zijn, maar nooit, maar dan ook nooit, iemand van wie je afhankelijk bent. Je mag van niemand afhankelijk zijn, afhankelijkheid is eigenlijk een doodzonde!!

Lieve ouders,

Het gekke is, ik zou niet terug willen of liever ik zou niet meer terug kunnen. Ik ben zo vergroeid met dit land van de meerdere levens maar wat ik jullie wel wil zeggen is dat er een probleem is: iedereen is hier bang voor de dood, want die is zo definitief! Er is niks na, het is gewoon afgelopen. Na een leven waarin al die mensen zo druk zijn en altijd bezig, is het opeens stil geworden, ze kunnen niet meer sms-en en dus hebben ze geen verbinding meer, geen technische verbinding want alle verbinding hier is technische verbinding en die is opeens verbroken en dat vindt men erg beangstigend. Zelfs één dag zonder technische verbinding vindt men al doodeng. Ze zijn als de dood voor de dood, voor de stilte ook, ze verlangen ernaar, zoeken de stilte op maar kunnen er vervolgens niet tegen.

Bij ons was het vroeger stil, te stil, ik verlangde naar geluid, naar reuring. Bij ons vroeger stond de dood centraal, je leefde eigenlijk voor de dood, dus om dood te gaan en dan het eeuwige leven tegemoet te treden. Het enige waarvoor je bang was, was het laatste oordeel natuurlijk. Maar lieve ouders het eeuwige leven bestaat niet. Niemand kan zeggen dat hij eeuwig zal leven, wat een pretentie! Tegelijk is het zo belangrijk om het leven te accepteren zoals het is en komt.

Het leven is  uiteindelijk iets wat vloeiend is, wat is als eb en vloed en je hebt er maar heel beperkt invloed op. Dat heb ik gemerkt, dat heb ik uitgevonden hier!!

En dat is voor mij belangrijk en ook dat ik moet leren om dankbaar te zijn met wat er is, wat dichtbij is en niet ver af.

Dat is mijn levensles!

Lieve ouders, ik verlang zo naar jullie, kusjes heel veel voor Lot!!!

Dat was de brief van Esmeralda en natuurlijk hoorde ze daar niets meer op.

Maar voor haar was het wel heel belangrijk dat ze hem had geschreven, en Lot? Zij trouwde met een man die voor haar was uitgekozen in het land van het ene leven en Esmeralda hoorde dat ze zich had geschikt in haar lot.

De messias; sprookje van deze tijd

Er was eens in een dorp in een groot land een jongen, laten we hem Bas noemen, hij heette anders, een hele ingewikkelde naam zoiets als Mjoetsikrtsjko, maar omdat we dat in onze taal niet kunnen uitspreken, noemen we hem Bas.
Bas ging ’s zondags en soms ook door de week naar de kerk, dat wil zeggen een hoog gebouw dat geen woning was en ook geen kantoor en dat van binnen veel banken had waarop je kon zitten en dan keek je naar een voorstelling. Geen gewone voorstelling was dat, maar iets bijzonders, een meneer in een jurk met gouddraad, een hele dure jurk en als hij uit de kerk kwam had hij een bontmuts op zag Bas.

Dat kostte allemaal veel geld en dat moest natuurlijk opgebracht worden vertelde de moeder van Bas en daarom werkten de ouders van Bas heel hard. Zijn vader was timmerman en zijn moeder wasvrouw om dat geld op te brengen. Bas had al een paar keer gevraagd waarom zijn ouders dat geld moesten opbrengen, want ze hadden thuis maar amper te eten en leefden heel sober en waarom die meneer dan zo’n dure jurk aan had.
Als hij dat soort dingen vroeg kon zijn vader heel kwaad worden en zijn moeder zei dan alleen maar: “Bas je moet weten, als wij ons steentje bijdragen dan zal je zien dan komt ooit de Messias en die bevrijdt ons allemaal en dan is in die toekomende wereld iedereen gelukkig”.

Bas was een slim jongetje en hoorde van zijn buurjongen dat de Messias al gekomen was en iedereen al bevrijd had van zijn zonden (dat waren verkeerde gedachten en verkeerde dingen die je deed), door heel veel bloed te geven. Door veel bloed te geven kon je dus Messias worden dacht Bas en deelde op een keer die kennis met zijn moeder.
Die schrok zich een hoedje en verbood Bas nog langer met de buren om te gaan. Omgekeerd begrepen de buren dat de ouders van Bas nog op de Messias zaten te wachten, terwijl zij zeker wisten dat hij al gekomen was, ook al voelden ze zich als je het hen zou vragen op de man af, helemaal niet bevrijd integendeel, maar dat zouden ze niet graag toegeven al helemaal niet aan Bas en zijn familie.

Eén ding had Bas in elk geval al vroeg door, Messias zijn of worden, dàt was iets bijzonders, daar hielp je andere mensen mee en Bas was behalve een slimme ook een lieve jongen, die graag anderen hielp zoals zijn gehandicapte zusje als ze weer eens werd uitgescholden op straat of moest worden geholpen met naar de wc gaan of zich aankleden.
Dus als mensen aan Bas vroegen: “Wat wil jij worden,” dan zei hij: “Messias,” het klonk interessant en uitnodigend en het was een mooie roeping, zo noemde je dat.
Maar hij zorgde er wel voor dat zijn vader de timmerman het niet hoorde want die had nog wel eens losse handjes en zou hem in elkaar timmeren als hij dat zei, want Messias werd je niet zomaar, daar moest je voor worden aangewezen door onze lieve heer. Bas begreep niet waarom de grote mensen spraken over een lieve heer want wat de buurjongen had verteld had grote indruk gemaakt en dat de lieve heer iemand zou aanwijzen om heel veel bloed te geven en dus ook dood te gaan was toch eigenlijk helemaal niet zo lief. En waarom je zoveel bloed moest geven om te zorgen dat mensen zo gelukkig werden begreep hij ook al helemaal niet.

Bas had zijn eigen fantasieën over de Messias. Als je messias werd dan werd je iets heel speciaals, dan mocht je wonderen verrichten en dan vertelde je een heleboel verhalen, sprookjes, aan mensen en die luisterden dan naar je met open mond. Ze geloofden je verhalen en hingen aan je lippen. En omdat ze geloofden wat je allemaal zei over een mooie toekomende wereld die mensen toe zou komen, werden mensen ook gelukkig. Nou dat zag Bas wel zitten. Hij had veel fantasie, hij liep de hele dag met verhalen in zijn hoofd rond en vertelde ze vaak aan zijn gehandicapte zusje en dan lachte ze en dan leek ze in elk geval gelukkig.

“Mam,” zei hij op een dag, “als ik nou messias word hoef jij dan niet meer te werken?” Zijn moeder die doodmoe was van weer een volle wasdag keek hem verbaasd aan: “Hoezo jongen,” zei ze een beetje geïrriteerd want ook zijn moeder kon, hoewel niet vaak, wel eens van vermoeidheid geïrriteerd zijn.
“Nou,” zei Bas, “je moet werken ook om die jurk en die bontmuts van de meneer in de kerk te betalen en ik hoef als messias geen gouden jurk of dure bontmuts hoor, dus voor mij hoef je niet zoveel geld te betalen”. Toen hij dat zei was zijn moeder heel ontroerd en gaf hem een kus en zei dat hij een lieve jongen was maar dat hij voorlopig helaas nog geen messias was.

“Maar hoe weet je dan of je het bent?” drong Bas aan, “want ik wil het wel heel graag hoor!” “Lieve schat,” zei zijn moeder, “er zijn er heel wat geweest die zeiden dan ze het waren maar dat waren allemaal nep-messiassen, een echte die herken je meteen”.

Bas nam er geen genoegen mee, “Maar waaraan herken je hem dan,” vroeg hij. Toen kwam zijn vader het vertrek binnen en was het gesprek verder onmogelijk geworden. Zijn moeder haastte zich naar de keuken om een maaltijd te bereiden, terwijl zijn vader hem ondervroeg over hoe het op school was gegaan. Want zijn vader wilde graag dat hij door zou leren en niet zoals hij timmerman worden en zou moeten sappelen, zo noemde hij dat.
Zijn vader had een grootse toekomst voor zijn slimme zoon voor ogen. Hij zou door moeten leren en misschien wel president van het land kunnen worden.

Bas had hem wel gevraagd of dat nou zoiets was als messias, maar zijn vader had alleen zijn wenkbrauwen opgetrokken en zijn zoon heel vreemd aangekeken. “Hoe kom je daar nu weer bij?” had hij gezegd. “Nou,” had Bas er nog aan toe durven voegen: “een president wordt toch ook aangewezen”. “Ja,” had zijn vader geantwoord, “maar niet door God maar door het volk”. Toen had Bas zijn mond maar gehouden maar zijn denken hield niet op. Hoezo door het volk, als het volk een messias herkent als messias en  van iemand een echte messias maakt is het volk toch ook God? En wie of wat is God eigenlijk als hij in elk geval geen lieve heer is?

Met al deze vragen bleef Bas wel zitten en hij merkte dat hij tegenover andere kinderen ook niet over zijn toekomstdromen moest praten.
Hij werd er al gauw mee gepest. Zo had een nare en door zijn lichaamslengte en gewicht gevaarlijke jongen uit zijn klas, hem opeens een keer toen ze in een groepje stonden apart genomen en duidelijk hoorbaar voor de anderen gevraagd: “En Bas wat wou jij worden later?” en toen Bas wat timide had gefluisterd: “Messias,” had de zware, want zo werd de ander vol ontzag genoemd gevraagd aan Bas om dat even te herhalen maar dan luid en duidelijk voor de groep en toen Bas weer vrij onverstaanbaar messias had gemompeld had hij zijn eerste flinke klap te pakken. “Wat?” zei de zware, “ik hoor je niet,” en zo was dat een tijdje doorgegaan, bloed stroomde uit Bas zijn neus, toen eindelijk de meester van zijn klas verscheen die op het lawaai was afgekomen en vroeg wat er aan de hand was toen hij Bas met een bloedende neus zag en een oog wat dik was en al bezig was blauw te worden.

“Ik ben gevallen, meester,” zei Bas en de groep leerlingen bevestigde dat, want iedereen was bang voor de zware en Bas dacht: dit moet ik er dus voor over hebben om Messias te worden en nu heb ik eindelijk al een beginnetje gemaakt want ik heb pijn en bloed verloren!
En toen de lessen waren afgelopen vroeg hij aan zijn beste vriend die ook niets had gedaan toen Bas in elkaar werd geslagen: “Marc,” we noemen hem even Marc maar hij had ook een heel ingewikkelde naam: “ben jij nu gelukkiger geworden?”
Marc keek hem niet begrijpend aan: “Hoezo?” “Nou,” zei Bas, “ik heb pijn en bloed verloren en dat betekent dat jij dus gelukkiger bent geworden, mijn bloed veegt jouw zonden weg, toch?” sprak Bas hoogdravend want hij wist niet wat het betekende maar dat had de buurjongen gezegd. Marc keek Bas onderzoekend aan. “Volgens mij ben je door die tik niet helemaal goed meer bij je hoofd Bas,” zei Marc. “Weet je wat ik echt heb gevoeld toen de zware je zo te pakken nam? Ik voelde me schuldig dat ik zo keek en niks deed, ik vond het eigenlijk heel erg en vond mezelf stom en klein en jouw vriendschap niet waard”.

“Maar en dat moet ik toegeven,” zei Marc, “er waren jongens bij die het wel mooi vonden dat de zware jou te grazen nam, die zijn jaloers op je, ze vinden dat je met je hoofd in de wolken loopt , ze kunnen er niet tegen dat je slimmer bent dan zij en vinden het wel mooi als je te pakken wordt genomen, daar genieten ze van. Maar of ze nou echt gelukkiger daarvan worden en minder slecht dat geloof ik niet, integendeel”.

Thuisgekomen, had Bas veel om over na te denken. Er waren dus mensen die jaloers op hem waren, hem zijn messianisme niet gunden, er waren mensen die zich schuldig voelden en klein als ze zagen dat hij bloed gaf zonder dat ze daar iets aan konden doen, maar waar was het toverstafje dat van de wereld opeens een paradijs maakte omdat hij zich opofferde en leed.
En hoe zat het met zijn verhalen, wie vond die mooi? Wie maakte hij daarmee gelukkig? Alleen zijn gehandicapte zusje, maar daar hoefde hij geen messias voor te worden, zijn ouders hadden geen tijd om hem aan te horen, zij moesten veel te hard werken om de jurk van die meneer in de kerk te betalen en zijn klasgenoten vonden ze maar gek of werden jaloers op hem.

Nee, Bas was geconfronteerd met de rauwe praktijk van het leven, hij had bloed gegeven maar zag dat het niks opleverde, mensen leken wel leeuwen, eenmaal bloed ruikend wilden ze meer. Hij moest nu heel erg oppassen voor de zware, die hem als vast slachtoffer had aangewezen. Was de zware misschien God?

Bas zag af van zijn toekomstdroom, maar ook de droom van zijn vader kon en wou hij niet vervullen, hij bedacht dat president worden teveel leek op messias worden en als hij daarvan afzag, zag hij ook van het president worden af. Bas bedacht dat hij net als zijn vader timmerman wou worden, dan kon hij in het dorp blijven wonen en zijn zusje verhalen blijven vertellen, want tenslotte was zij misschien wel God en volk tegelijk.

Er was eens een volk; sprookje van deze tijd

Er was eens een volk, een volk van het boek. Het boek was heilig voor hen. Ze lazen erin, dag in dag uit. Ze geloofden in de woorden uit het heilige boek en wogen de woorden iedere dag op een goudschaaltje. Die woorden vertelden hen hoe ze moesten leven, hoe ze met zichzelf en anderen om moesten gaan. Ze waren hun houvast.
Ze noemden ze wetten en recht, hun recht.
Recht was wat niet krom was, recht en wetten waren hen gegeven van hogerhand. Dat kwam zo: ze waren letterlijk op hen neergedaald, toen ze een hele tijd in de woestijn zwierven nadat ze zich uit de onderdrukking hadden bevrijd en hun koers kwijt waren, niet meer wisten welke kant ze op moesten en hoe ze nu hun leven aan moesten pakken.

Een volk is pas echt vrij zo werd hen duidelijk gemaakt, als ze zichzelf wetten oplegt en zich aan het recht houdt, en het recht is eigenlijk hetzelfde als het woord. Een volk maar ook een mens die woord houdt is te vertrouwen immers en vertrouwen is de basis van  alles in deze wereld werd hen geleerd, van welzijn en geluk, van voorspoed, van liefde.
Zo werd hen ook duidelijk dat woord houden en je aan wetten houden betekende dat je de ander behandelde als jezelf, je wilde immers ook graag van een ander dat hij zich tegenover jou aan zijn woord hield en zich aan de wetten hield.
En zo noemden ze zich het uitverkoren volk, omdat ze dat inzicht hadden gekregen daar midden in die leegte, in een tijd waarin ze de weg kwijt waren.

En dat inzicht, die belofte om woord te houden maakte van hen iets bijzonders, zo ervoeren ze dat. En die belofte brachten ze over op hun nageslacht. Ze zouden, dachten ze, daarmee een licht in de wereld kunnen zijn. En daarom hielden velen van hen zich later bezig met woorden en wetten en de interpretatie daarvan.
Maar als er één ding is dat mensen moeilijk vinden is het om woord te houden, om zich naar wetten te schikken die ooit zijn vastgelegd maar die de mensen niet uitkomen op een bepaald moment. En daar begon het te wringen.

Mensen zijn opportunisten dat wil zeggen dat ze liever gebruikmaken van wat hen op een bepaald moment het beste uitkomt en dan zijn principes en wetten een sta in de weg. Dat gold ook voor de mensen van dat volk. Ze dachten bv: waarom moeten wij ons aan de wetten houden en aan het woord? Dat geeft ons een achterstand ten opzichte van anderen die dat niet doen en liegen en bedriegen en gebruikmaken van ons of ons bedreigen en vervolgen omdat wij door onze principes kwetsbaar zijn en bovendien de pretentie hebben een voorbeeld te zijn. Wat een belabberde combinatie, dachten die mensen.

Overal waar het volk kwam kregen ze het moeilijk. Soms werden ze juist binnengehaald omdat hun manier van leven welzijn met zich meebracht, want vertrouwen is een basisprincipe om te kunnen onderhandelen en onderhandelen is weer de basis van handel zoals het woord al zegt, maar dan werden ze later weer vervolgd omdat ze jaloezie opwekten met hun principes en levensstijl. Of ze werden afgescheiden en opgesloten, ommuurd zodat het leek of ze weer in hun oorspronkelijke onderdrukte staat terechtkwamen. Maar juist toen het volk ondanks dat alles na vele eeuwen van vestigen, vervolging en verhuizing zijn hoogtepunt van invloed op andere volkeren bereikte en overal wetten en recht kwamen en het woord eerst gedrukt en later steeds meer serieus werd genomen, juist toen kreeg het woord en het recht een andere betekenis.

Juist omdat mensen opportunisten zijn gingen ze gebruikmaken van het woord om zelf macht te verwerven. Woorden werden uit hun context gerukt, kregen een andere valse klank, werden misbruikt om juist mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van dat ze vertrouwen kweekten tussen mensen onderling.En recht werd het recht van de sterkste. Er kwam wantrouwen in de wereld, georganiseerd wantrouwen en ook het recht en de wetten werden misbruikt voor de eigen doeleinden van de machthebbers.

In de eerste plaats werd het volk daar zelf slachtoffer van. Zij die het woord en de wetten hadden uitgevonden kregen ze nu tegen zich. Het werd vogelvrij verklaard dat wil zeggen dat de mensen van dat volk niet zo vrij als vogels werden maar dat iedereen op ze mocht schieten, ze gevangen mocht nemen  en afvoeren en alles doen wat God, hun God maar ook die van anderen verboden had.
Het werd een plicht hen aan te geven en een misdaad om hen te helpen, want het woord en het recht waarvoor ze stonden moest worden vernietigd, zelfs de herinnering eraan.
En zo kwam het dat het woord als belofte, het recht als gouden regel: je behandelt een ander zoals je zelf wilt worden behandeld, de wetten als continue factor, stierven maar niet meteen.

Eerst het volk zelf waarvan niet veel overbleef. En toen was er opeens het besef na alles wat er was gebeurd, dat dat zo niet meer kon. En de mensen en volkeren maakten prachtige regels en mooie woorden en hele mooie beloften naar elkaar: dit zou nooit meer mogen gebeuren, geen mens mocht ooit nog vogelvrij zijn, een opgejaagd dier.
En degenen die over waren van het volk stichtten een eigen staat in een bestaand land, waar ze dachten dat ze veilig zouden zijn.
Want ze wilden veilig zijn, ze wilden wat zoveel mensen willen: kunnen leven in vrijheid, zonder bedreigd en vervolgd te worden, kinderen kunnen krijgen, een bestaan kunnen opbouwen. En ze waren vergeten dat ze een volk van het woord en van het recht waren. Ze waren met al die lichamen door de schoorstenen van de ovens ten hemel gestegen.
Een aantal probeerde ze nog te vangen, ze deden vertwijfeld hun best maar die krampachtige pogingen waren te verbeten. Ze misten de wijsheid van hen die hen ooit waren voorgegaan maar nu het leven hadden gelaten juist omdat ze waren die ze waren. Alleen een paar enkelingen wisten nog te inspireren.

De wetten, het recht, begon in dienst van veiligheid te staan, veiligheid van een staat, hun staat van zijn. En zoals het volk vroeger een gidsfunctie had in het de weg wijzen naar het heilige woord en het recht en daarmee het onderling vertrouwen, werd het volk nu een gids naar de weg van de veiligheid van een staat en het onderlinge wantrouwen. Het bouwde muren om zichzelf te beschermen tegen degenen die al in dat land woonden en plaats hadden moeten maken voor het volk dat zo op zoek was naar veiligheid. En bewapende zich en bouwde checkpoints en technische informatiesystemen, waardoor ze controle konden uitoefenen op al diegenen die hen bedreigden in en om dat land.

En het woord dat ooit een belofte inhield waaraan ze zich wilden houden, werd nu geheime informatie over de ander tegen wie ze zich wilden beschermen. Want nooit wilden ze meer slachtoffer zijn, schapen die naar een slachtbank waren geleid, zo heette dat en zo werden ze ook door de anderen genoemd, maar nu vonden ze dat zelf ook en dat werd hun credo, hun geloof.

En al diegenen die in dat land kwamen wonen en nog deden denken aan het volk van het woord en de belofte werden als zwakkelingen gezien en men keerde zich van hen af, schaamden zich voor hen. Al diegenen die waren vermoord, waren zwak geweest, hadden zichzelf te kwetsbaar gemaakt met hun principes. Dat zou hen niet meer overkomen. Ze noemden dat realiteitszin.

En die realiteitszin, het zien van de ander als potentiële dreiging en gevaar, dat werd de nieuwe realiteitszin. En de wetten en het recht werden naar de hand gezet, er werd met twee maten gemeten, eigen volk eerst en de ander die als dreiging werd gezien kon wel rechteloos zijn. En zo werd uiteindelijk de ander, de anderen behandeld zoals het volk zelf was behandeld toen het woord werd misbruikt en de wetten verkracht. En het volk heeft in deze nieuwe realiteitszin weer een gidsfunctie. Het woord is allang geen woord meer maar geheime informatie over de ander en het recht is allang geen recht meer maar bescherming van de staat tegen de anderen die een bedreiging zouden vormen maar inmiddels ook tegen de eigen burgers, en de staten zijn lege hulzen geworden, geschraagd door geheime diensten die niemand een dienst meer bewijzen.

En nu is de wereld in verwarring, niemand weet de weg meer, het landschap verdort en wordt weer woestijn. En misschien moeten we met zijn allen weer heel lang dwalen voor we opnieuw een weg gevonden hebben of voor we opnieuw een verhelderend inzicht krijgen aangereikt.

Doe-land en Verweggistan; sprookje van deze tijd

Er waren eens twee landen: Doe-land en Verweggistan

In Doe-land hadden de mensen twee rechterhanden en als ze met elkaar praatten over wat ze deden dan zeiden ze altijd: “gewoon”. Voor hen was de meest gebruikte uitdrukking : “dat doe je gewoon” of “dat doe je gewoon voor elkaar”.
Natuurlijk en vanzelfsprekend, waren stopwoorden.
“Heb je die keuken zelf aangelegd?” “Natuurlijk.” “Heb je je huis zelf gebouwd?” “Vanzelfsprekend.” “Heb je die rommel allemaal zelf opgeruimd?” “Natuurlijk.” Enzovoort enzovoort. De doe-landers vonden dat soort dingen eigenlijk zo gewoon dat ze er geen woorden meer aan vuil maakten. Mensen die teveel praatten over wat ze allemaal deden vonden ze al gauw overdreven. Dan zeiden ze al gauw: “Je lijkt wel van Verweggistan”.

In Verweggistan hadden de mensen twee linkerhanden. Ze liepen altijd met hun hoofd in de wolken, spraken zoveel mogelijk in raadsels. Ze vroegen als je ze aansprak altijd: “Raad eens wat ik bedacht heb?” Ze hadden het over ‘concepten’. Ze concipieerden met elkaar. Vandaar ook dat ze moeilijk kinderen konden krijgen. Dat was echt een serieus probleem daar in Verweggistan. Een ander probleem  waar ze tegenop liepen, was dat ze overal tegenop liepen, omdat ze niks zagen, zo met hun hoofd in de wolken.
Eigenlijk wilden ze vliegen, daar in Verweggistan. Ze keken neer op hun handen en liepen altijd op hun tenen in de hoop vleugels te krijgen, maar helaas ze kwamen niet echt van de grond.
De mensen uit Doe-land vonden de mensen uit Verweggistan zweverig en arrogant en de mensen uit Verweggistan vonden die uit Doe-land weer gewoontjes, veel te gewoontjes, een beetje dom eigenlijk.
De doe-landers hadden net zo goed viervoeters kunnen zijn, vonden ze in Verweggistan, want dieren bouwen ook nestjes en paren en maken geluid en zoeken voedsel.
Doe-land en Verweggistan lagen naast elkaar maar Doe-land leek dichtbij en Verweggistan leek altijd heel ver weg.

Nu was er eens een doe-lander die naar Verweggistan ging om een Verweggistanner om raad te vragen en dat was heel bijzonder want doe-landers vonden dat soort dingen eigenlijk overbodig. Bovendien zagen ze Verweggistan als heel ver weg zoals gezegd en de inwoners van dat land al helemaal niet als geschikt om raad te vragen. Ze waren toch nooit te bereiken en als ze ze toch vonden dan zaten ze met hun hoofd in de wolken en hun handen aan de knoppen van een apparaat dat voor hen van alles moest doen omdat ze zelf nu eenmaal niets wilden doen.
Maar nu werd er toch een keer een uitzondering gemaakt.
De moedige doe-lander ging naar Verweggistan en eenmaal daar zocht hij een Verweggistanner op achter een apparaat en riep: “Hallo, ik kom je om raad vragen!”
De Verweggistanner, als die de ander al hoorde, liet de doe-lander eerst heel lang wachten, want hij keek natuurlijk op hem neer en toen zei hij: “Hoe ben je de grens eigenlijk overgestoken?” Want de Verweggistanner wilde zelf wel vliegen maar hield er niet van als doe-landers grenzen overschreden. Zoiets, vonden ze in Verweggistan, was alleen voor henzelf weggelegd.
De doe-lander zei: “Goh, ik heb geen grens gezien, ik zag alleen maar land, maar wat me wel opviel, was dat ik opeens zoveel mensen zag met hun hoofd in de wolken, die me niet zagen of wilden zien”.
“Verdorie,” zei de Verweggistanner, “de grenswachten hadden hun hoofd er weer eens niet bij. Wat moet je, trouwens? Ik ben bezig, dat zei ik toch. Kom zo dadelijk maar terug”.
“Dat doe ik niet,”  sprak de doe-lander, “want ik ben er nu en ik leef op dit moment. Ik vraag je: hoe komen jullie toch zo met je hoofd in de wolken? Daar kan ik maar niet bij. Waar leven jullie nou toch van? Toch niet van de wind?”
“Nou,” zei de Verweggistanner, “ik heb eigenlijk geen zin om met jou te praten dat is zonde van mijn tijd, we hebben het namelijk altijd erg druk, maar goed, oké, nou we het er toch over hebben, we leven niet van de wind, maar wel van lucht, dat wel. Er zit bij ons overal lucht in, in onze begrotingen, onze economie (we halen veel uit een gasbel), onze beleggingen, ons bezit, 99 procent van ons huizenbezit is eigenlijk lucht, we wonen en leven dus eigenlijk in een bel”.
“Tjonge,” zei de doe-lander, “bellen blazen wij altijd weg, bij ons gaan zeepbellen altijd kapot”.
“Bij ons ook wel,” zei de Verweggistanner, “maar we streven er toch naar ze in de lucht te houden. We houden zoveel mogelijk bellen maar ook wel ballen in de lucht hier”.
Het ontzag van de doe-lander steeg met de minuut. “Hoe doe je  dat dan? Zijn jullie allemaal evenwichtskunstenaars, goochelaars?”.
“Nou je het zegt,” zei de Verweggistanner, “er komt een hoop magie bij kijken. Volwassenen lezen hier allemaal Harry Potter. Eigenlijk geloven we hier in alles wat bovenaards is als het maar boven aards is. Want we vertrouwen de grond waarop we staan niet erg. Je weet maar nooit, één struikel-partij en je ligt voor altijd. Idee, innovatie, ingewikkeld, i.q., ik, we houden hier erg van de i. De i wijst naar boven naar een punt in de lucht”.
“Goh,” zei de doe-lander, “wat grappig, wij zetten ergens juist vaak een punt achter, als we vinden dat het genoeg is . Als we vinden dat we genoeg hebben, genoeg voedsel, genoeg te drinken, genoeg sex, genoeg slaap, dan zetten we er een punt achter”.

De Verweggistanner begon ongeduldig te worden. “Hoor eens, doe-lander, je hebt nu al aardig wat beslag op mijn kostbare tijd gelegd, je bent illegaal onze grens overgestoken en nu zit je ook nog commentaar te leveren op onze voortreffelijke wetenschappelijk en technologisch onderbouwde, efficiënte levensstijl, dus kom nu maar snel met je vraag, want je wou me toch om raad vragen? Willen jullie eindelijk eens iets van ons leren? Hoe je je als mens kunt verheffen uit het keurslijf van de natuur en je eigen primitieve behoeften en instincten? Hoe je uit kunt stijgen boven dit aardse bestaan, het naar je hand kunt zetten door in te grijpen in de meest wezenlijke natuurlijke processen als geboorte en dood, voortplanting, de eigen genen zodat niets meer gevreesd hoeft te worden, de natuur niet, maar ook God niet, je bent immers zelf God geworden”.

“En elkaar?” zei de doe-lander, “vrezen jullie elkaar niet?”.
“Hoezo, elkaar, wat zouden we van elkaar te vrezen moeten hebben?”
“Nou, gewoon,” de doe-lander kon het even niet laten, “als je steeds met je hoofd in de wolken loopt en van lucht leeft, zie je elkaar niet meer, daar komen brokken van lijkt me. Op zijn minst botsingen. Maar wat me misschien nog belangrijker lijkt, wat vinden jullie kinderen daar eigenlijk van?”.

Even stond de Verweggistanner met de mond vol tanden en dat was heel uitzonderlijk voor een Verweggistanner. Hier werd het pijnlijk, zo besefte hij.
In Verweggistan werden immers heel weinig kinderen geboren. Ze kweekten er reageerbuisbaby’s en waren daar erg trots op, maar er was iets vreemds aan die baby’s .
Ze reageerden niet. Als je ze wou vasthouden, aanraken, voeren, reageerden ze niet, ze keken een andere kant uit. Ze huilden niet, maar lachten ook niet, ze waren afwezig.
En voorzover ze nog wel natuurlijke kinderen hadden, waren die juist weer overgevoelig.
Althans dat vonden ze daar in Verweggistan. Ze konden niet stilzitten, huilden aan één stuk door, verveelden zich altijd meteen en werden heel snel agressief bij de minste prikkel van buitenaf.
Adhd-kinderen werden ze genoemd. en ze werden aan uitgebreide onderzoeken en medicaties onderworpen maar leken daardoor alleen nog maar nog prikkelbaarder te worden.
De Verweggistanner negeerde de vraag dus maar en haalde zijn wenkbrauwen op.
“Je vraagt om raad?” zei hij alleen maar.
“Mijn vraag om raad gaat namelijk over het volgende,” zei de doe-lander, “onze kinderen hebben twee rechterhanden, ze kunnen veel, ze doen ook wel veel, we houden van ze, en toch hunkeren ze maar steeds naar Verweggistan. We worden er voortdurend over lastiggevallen: pap, mam, wanneer gaan we nu eens naar Verweggistan?
Ze vinden jullie land een soort sprookjesland, alles moet er mooier, interessanter, spannender zijn dan bij ons, ze vinden ons, hun ouders, hun land, zo gewoontjes omdat alles er ook zo gewoon is. Natuurlijk wij hebben ook onze problemen, maar die zijn er dan om aan te pakken en als we er niets aan blijken te kunnen doen, dan zijn ze dus gewoon en moeten we ze accepteren. Nu is mijn vraag om raad de volgende: Denk je onze situatie eens in. Wat zou jij onze kinderen adviseren? Om naar jullie land toe te gaan? En daar met eigen ogen te zien hoe al die hoogdravendheid er alleen toe leidt dat jullie volwassenen wegzweven op luchtbellen, geloven in magie van het soort Harry Potter, en alleen nog kinderen hebben die niet meer of juist teveel reageren? Maar om dat te zien en te ervaren moet je de grens, die fictieve grens die jullie hebben gemaakt over, en als ze die oversteken zijn ze illegaal en worden ze opgepakt en vastgezet of het land uitgezet want jullie laten je niet benaderen, dus blijven jullie een ideaal en blijven wij lastig gevallen worden met een ideaalbeeld dat doorgeprikt zou kunnen worden als jullie je grenzen zouden openstellen maar als jullie dat echt zouden doen, zou er iets fundamenteel veranderen en zou Verweggistan Verweggistan niet meer zijn. Beste Verweggistanner, hoe los ik dit probleem toch op?”

Maar zijn gesprekspartner was er al niet meer. Het leek wel of hij was opgelost in de zeepbellen die overal in het vertrek ronddansten, zo zag de doe-lander nu.
Wel voelde hij dat hij door twee paar sterke handen werd opgetild en toen hij in de gezichten keek die daarbij hoorden zag hij doe-landers. Maar deze doe-landers keken langs hem heen, ze zagen hem niet meer, ze waren eens opgepakt en nu instrumenten geworden ten behoeve van Verweggistan.

Ze tilden hem op en droegen hem tot over de grens en daar bleven ze staan als wachters, onbewogen grenswachters tussen Doe-land en Verweggistan.