Categoriearchief: Blog van Joyce

Zieltogend (2): Het vertrouwen in de politiek

Ik had u als lezer beloofd dat ik een serietje zou maken. De vorige keer had ik het over de geestelijke gezondheidszorg.
Nu is duidelijk, dat begrijpt u, de politiek aan de beurt.
Volgens het onderzoeksbureau van de NOS, Ipsos is het vertrouwen van de Nederlandse burger in de politiek gekelderd tot onder de helft.
Een meerderheid van zes op de tien Nederlanders heeft weinig of heel weinig vertrouwen meer in de landelijke politiek.
(Dat is belangrijk om er even bij te vermelden dat ‘landelijk’. Want misschien heeft men nog wel vertrouwen in de plaatselijke bestuurders?)
Ook het vertrouwen in het kabinet zelf en in demissionair premier Rutte heeft een knauw gekregen. Vorig jaar nam het vertrouwen na de ingrijpende maatregelen in de corona-crisis nog toe, inmiddels is daar weinig meer van over. Het demissionair kabinet krijgt met een 4,9 een onvoldoende, waar het in maart bij de Tweede Kamerverkiezingen nog een voldoende kreeg.
Kijken we naar de premier dan was het vertrouwen 61 procent en inmiddels 33 procent.

Waarom is het vertrouwen zo gezakt?
Bij Ipsos antwoordde 72 procent bevestigend op de vraag of de lange duur van de formatie slecht is voor hun vertrouwen in de politiek. Daarnaast worden genoemd het beleid op het gebied van gezondheid, de woningmarkt, het debacle met de kindertoeslagen, het immigratie- en asielbeleid, de ouderenzorg, de aanpak van de corona-crisis en het klimaatbeleid.
Tot zover Ipsos.

Kijken we nu naar EenVandaag van maandag 20 september, dan is er iets opvallends zichtbaar.
Het vertrouwen is schrikbarend gedaald aldus Gijs Rademaker van het EenVandaag Opiniepanel. Zoveel verschil lijkt er niet met de onderzoeksresultaten van Ipsos.
Tot we belanden bij Rutte.
Dan blijkt hij nog wel populair bij meer dan de helft als ‘Corona-premier’ .
Zes van de tien leden van het Opiniepanel (27.000 leden) vinden het echter niet acceptabel als Rutte weer minister-president wordt van een nieuw kabinet!
Zij vinden dat hij niet meer geloofwaardig is om nog 4 jaar door te gaan, omdat hij te vaak gelogen heeft.

Wat moet je nu van deze uitslagen denken?
Het vertrouwen in de landelijke politiek is zieltogend, dat is wel duidelijk en dat klemt te meer omdat juist nu heel belangrijke koerswijzigingen moeten worden ingezet zoals ten behoeve van het klimaat maar ook op het gebied van bestuurlijke vernieuwing waarin juist vertrouwen in professionals (zorgverleners, onderwijzend personeel enz) en burgers centraal moet gaan staan.
Een open bestuurscultuur, meer ruimte geven aan professionals, de burgers meer geloven in plaats van bij voorbaat wantrouwen etc, vergt een omslag in de politieke cultuur.
Als dan burgers zelf de politiek bij voorbaat wantrouwen zal de afstand overheid/burger moeilijk verkleind kunnen worden en stuiten de overheidsmaatregelen (zoals bijv uitkopen van boeren) alleen op verzet.

En dan dat onderscheid tussen een Corona-premier en een gewone minister-president..
Waar staat dat voor?
Betekent het dat een Corona-premier eigenlijk niet wordt gezien als politicus maar als een crisismanager die het volk moed toespreekt vanuit een torentje? En hebben we nou een Corona-premier nodig of een gewone minister-president?
En hoe verhoudt zich eigenlijk de constatering van Ipsos dat het gebrek aan vertrouwen van burgers te maken heeft met het Corona-beleid met het enthousiasme van het EenVandaag Opiniepanel voor de heer Rutte als Corona-premier???

Vragen te over… Misschien heeft u een idee?
Stuurt u dan een reactie naar deze site!

Zieltogend (1)

“Voor de mens is geen redding mogelijk, anders dan zijn redding als het leven te beschouwen. Verlok, verschalk en omarm het lijden als een onverschrokken bondgenoot.”
“Het stille, langzame lijden van het leven is je waarachtige kompas. Ze dwingt je af te dalen naar je diepste zelf en de fundamenten van je bestaan, op zoek naar verandering, meedogenloos te ondergraven. Lijden is de nacht voor de ochtend van de vreugdevolle bevrijding.”

Als u lezer nu denkt dat ik me heb bekeerd en deze tekst uit de preek komt die ik afgelopen zondag heb beluisterd, dan vergist u zich.
Deze teksten zijn afkomstig uit het boek Het tekort van het teveel van Damiaan Denys.
Zijn boek was net af voordat de Corona-crisis uitbrak en wat betreft het lijden werd hij dus op zijn wenken bediend.
In dit boek signaleert hij de paradox van het te veel willen van de mens en zich daarmee tekort doen.

Het is een evaluatie van de psychiatrie en een uiterst kritisch betoog over medicalisering van de geestelijke gezondheidszorg. Wat dat betreft deed het me aan de oude, door hem niet geciteerde Ivan Illich denken met zijn zogenaamde ‘iatrogene ziekten’, dat zijn ziekten die door de medicalisering en de medische zorg worden veroorzaakt in plaats van verholpen.

Ook kwam de tijd van de antipsychiatrie met Jan Foudraine en zijn boek Wie is van hout bij mij bovendrijven naar aanleiding van bv een tekst als: “De wetenschappelijke kennis van voorspellende factoren voor behandeluitkomsten ontbreekt in de psychiatrie”.
Denys geeft achtereenvolgens aan wat er allemaal mankeert aan de onmogelijke combinatie van marktwerking en regulering in de zorg en stelt dat we te maken hebben met een ‘failliet mensbeeld’ namelijk een mens als producerend product.

Ook dat kwam me bekend voor.
Ik dacht meteen aan de term ‘Verdinglichung’, het tot ding/object maken van de mens, een begrip dat al speelde bij Adorno van de zogenaamde ‘Kritische Schule’ en je ook terug kunt vinden bij de dialogische filosofie van Levinas.
Denys denkt dat we er een stuk beter aan toe zijn als we onze ziel beter leren kennen.
Overigens houdt hij er niet van om psychisch lijden bespreekbaar te maken.
Van Denys moet je dus liever in stilte lijden.

Wel merkwaardig overigens dat hij in zijn conclusies de psychiatrie niet af wil schaffen en zelfs ook de medische kant ervan benadrukt door deze als juist het overblijvende specialisme te willen zien.

Zelf ben ik geneigd na lezing van zijn boek het over een andere boeg te gooien.
Drie maal contact met een psychiater heeft me geleerd dat hij/zij op zijn best een goede praatpaal is waarbij ik mijn hart kan uitstorten en die af en toe iets zinnigs zegt waardoor ik me gezien en erkend voel.

Maar zoiets kan op vele manieren worden bereikt lijkt me.
Aanstaande 17 september ligt het boek Een zinvol leven; de mens en zijn verhaal in de boekhandel.
Het is het tweede boek over zingeving van Fokke Obbema die zeer verschillende mensen heeft geïnterviewd over hun definitie van zin en zinvolheid.
Ik mocht één van hen zijn en ik moet zeggen dat het gesprek met Obbema van twee uur me meer heeft gedaan dan de diverse gesprekken met de psychiater die ik me nog herinner.
Het was inspirerend en bemoedigend en de ziel, maar natuurlijk ook het lijden, kwamen uitgebreid aan bod! Waarvoor bij deze nog dank Fokke!

Mijn creatieve voorstel zou dan ook zijn om eens bij de evaluatie van de huidige GGZ goed te kijken of er niet meer Fokkes kunnen worden ingezet om het verhaal van mensen met psychische klachten te aanhoren, het te verwoorden en naar hen terug te koppelen.
Niks in stilte lijden, Denys!

PS: ik zal in mijn volgende blog doorgaan op het thema zieltogend.
Want dat ben ik met Denys eens: er is heel wat zieltogends op het moment en ook veel tekort van het teveel!

Mijn naam is Haas

Na de serie “Ouwe koeien”, vandaag een sprookje van deze tijd. Voor wie geïnteresseerd is, een jaar geleden heb ik in de vakantie een serie sprookjes van deze tijd als blogs gepubliceerd.
De titel van dit sprookje is: Mijn naam is Haas
Er was eens een haas die zichzelf ook Haas noemde.
Hij was er trots op Haas te zijn.
Als iemand hem vroeg, hoe heet je? zei hij ook altijd: Mijn naam is Haas.
Haas stond erom bekend dat hij heel hard kon rennen, wegrennen wel te verstaan.
Als hij maar even dacht dat het moeilijk werd ging hij er als een haas vandoor.

Er leefden allemaal dieren in en op het duin zoals fazanten en veel vogels en soms hadden ze ruzie. Bijvoorbeeld omdat ze iets lekkers zagen en de ander hen net voor was.
Maar ook omdat ze vonden dat de ander te veel een borst opzette of te veel haantje de voorste wilde zijn. Diegene vond dan dat de ander maar een toontje lager moest zingen.
In die gevallen wachtte Haas de confrontatie niet af maar maakte zich haastig uit de voeten.
Hij moest er niets van hebben. Als hij alleen maar dácht dat er ergens een ruzie van zou komen was hij al vertrokken. Als er dieren waren die hem dat kwalijk namen, beweerde hij altijd bij hoog en bij laag dat hij dat voor ‘de lieve vrede’ deed.
Sommigen noemden hem schamper ‘angsthaas’ maar er waren er ook die heimelijk jaloers waren op Haas, konden zij maar zo hard rennen en zich uit de voeten maken als hen de grond te heet onder de voeten werd.

Op een goede dag of misschien een kwade waren er jagers met honden in het duin.
Nu wilde het geval dat de jagers er juist op uit waren om die dieren te schieten die het hardste renden. Een gewoon konijn of een sullige haas vonden ze niet spannend. Hoe harder het rende hoe groter de uitdaging was. Het vergde jagerskunst om een heel hard rennende haas neer te leggen.

En zo werd de levenskunst van de haas ook zijn noodlot.
Had hij het rustiger aan gedaan en had hij meer om zich heen gekeken, was hij minder angstig geweest dan had hij misschien op tijd een schuilplaats ontdekt en was hij niet aangeschoten wild geweest voor de jagers.

Wat is de moraal van dit verhaal?
Angsthazen en een angstcultuur trekt jagers aan en maakt de jacht tot een spel.
Angsthazen denken dat ze door hard weg te rennen geen gevaar lopen en aan het langste eind trekken maar in de praktijk trekken ze dus jagers aan die er veel plezier aan beleven hen te pakken.

Even een sprongetje: Europa lijkt meer en meer beheerst door de angst ‘overspoeld’ te worden door vreemdelingen. Daarom verloochent het de eigen waarden vastgelegd in verschillende Verdragen zoals het Vluchtelingenverdrag en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het Europa van nu, voorgezeten door Slovenië, lijkt de Zero-norm van Orban en PIS als uitgangspunt te nemen: Geen Afghanen naar Europa maar opvang in de reeds overbelaste regio.
Het netto effect is dat de jagers (extreem rechts) worden aangemoedigd in hun afkeer van alles wat buitenlands is (en op de vlucht). De jagers ruiken hun kans… Alles wat dan toch nog deze kant op komt zal met extra inzet worden ‘teruggeduwd’.

In Nederland is met name de VVD zo bang door rechts te worden ingehaald dat ze de democratische rechtsstaat steeds verder in gevaar brengt en partijen uitsluit, wat niets te doen heeft met de beloofde nieuwe bestuursstijl of op inhoud regeren.
De angst voor machtsverlies is leidend en overheerst veruit het algemeen belang.
Er worden schimmige spelletjes gespeeld, er is sprake van wetsovertredingen en het kan allemaal doorgang vinden omdat niets degene die hierbij leidend is tegenhoudt.
Ondertussen loeren de jagers en ruiken het angstzweet…
Ze staan onder leiding van een groot dagblad en sociale media klaar, en wachten hun kans af.
Het spel is allang begonnen.

Ouwe koeien 6: Het personalisme van Emmanuel Mounier

Het is wat oneerbiedig om het personalisme van Emmanuel Mounier, die leefde van 1905- 1950 te laten vallen onder de titel “Ouwe koeien”, die ik dezer weken opdiepte uit de sloot van de tijd, maar u moet me dit maar vergeven, lezer.
Als ik in mijn boekenkast duik en daaruit het dunne boekje pak van dr. A.J.M. van Weers, die in 1989 een voordracht heeft gehouden ter gelegenheid van de aanvaarding van de Prix Emmanuel Mounier, kom ik teksten tegen als “Wij staan voor de opgave om een eenheid in verscheidenheid te bereiken”.
“Mounier heeft”, aldus Van Weers, “ons een methode aan de hand gedaan om convergentie tot stand te brengen van de divergerende maatschappelijk en politieke visies zonder dat deze hun eigen karakter moeten verloochenen”.
Begin jaren dertig richtte Mounier het tijdschrift Esprit op. Het blad had een grote verscheidenheid aan medewerkers rond zich verenigd van protestantse, katholieke, joodse en oosters orthodoxe huize, anarchistisch en marxistisch georiënteerden, met links en rechtse opvattingen. Wat hen bond was de ontevredenheid over de gevestigde ‘wanorde’, het besef dat de wereld in een crisis verkeerde en dat een morele revolutie nodig was (Van Weers pag 15).

Mounier voelde zich gedwongen de beginselen die hen verenigden onder woorden te brengen zonder dat de betrokkenen hun eigenheid verloren. De ‘integraliteit’ van hun bagage moest gewaarborgd worden.
Zijn personalistische filosofie die de persoon centraal stelt moest een handelingsfilosofie zijn maar ook een filosofie van de ontmoeting.
Grensoverschrijdingen tussen de verschillende denkrichtingen zijn mogelijk.

In een tijd dat in dit land geen regering kan worden gevormd omdat partijen elkaar blijven uitsluiten kunnen we heel wat leren van het personalisme van Mounier.
Het gekke is dat de grondgedachte van Mounier ‘Men kan van elkaar leren, wanneer men in beginsel het belang van de persoon en zijn/haar menselijke waardigheid erkent’, niet zo nieuw zou moeten zijn in een land waarin het poldermodel steeds centraal stond.
Ook de naoorlogse zogenaamde ‘doorbraakgedachte’ gestoeld op de ideeën van de gijzelaars van Sint Michielsgestel tijdens de bezettingsjaren was geënt op deze personalistische filosofie.

Hij werkte met een theorie van de oversnijdingen, een normatieve theorie met de volgende kenmerken:
1. Zij aanvaardt dialoog en samenwerking tussen aanhangers van verschillende mens- en maatschappijopvattingen, waarvan het eigen karakter niet van van buitenaf mag worden aangetast, doch die wel aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen: ze mogen noch totalitair noch extreem relativistisch zijn.
2.Deze theorieën dienen met elkaar overeen te stemmen inde onderkenning en verwerping van de crisis waarin de samenleving verkeert.
3. Deze consensus ontstaat dikwijls naar aanleiding van een gezamenlijk beleefde ervaring en wordt gedragen door de overtuiging dat de leidende waarde in theorie en praxis een zeker verabsolutering van het menselijke is.
4. Deze consensus leidt in ieder geval tot praktische conclusies en impliceert bereidheid deze voorzover mogelijk wederzijds en tegenover een universeel auditorium te verantwoorden.
5. Door de overeenstemmingen ontstaat een geheel van verwante themata, dat men een spil kan noemen. Deze spil heeft een verplichtend karakter. De themata omvatten normatieve uitspraken en gronden voor hun juistheid.

Met name ad 3 lijkt me interessant voor mevrouw Hamer.
Ik zou haar willen adviseren om Rutte, Kaag, Hoekstra, Ploumen en Klaver verplicht te sturen naar Rottumerplaat waar ze zichzelf moeten behelpen gedurende een week.
Niks geen podcasts en verboden voor journalisten…
Wie weet dat ons zo nieuwe verkiezingen worden bespaard.

PS: Qua literatuur verwijs ik naar Recht doen aan de buurt van mijn hand uit 2001, waarin oa een personalistische rechtsverkenning, en Rechtvaardigheid, persoon en creativiteit, een bundel onder redactie van Claudia Bouteligier en Timo Slootweg over personalisme en recht, 2020.

Ouwe koeien deel 5: Politieke trucs*

Wat heeft de houding van de Nederlandse regering ten aanzien van Afghanistan te maken met de moeizame vorming van een nieuw kabinet?
Dat is even een lastige maar toen ik de NRC van vandaag, zaterdag 21 augustus, las wist ik het:
Onder de titel ‘Dagboek Kabul’ staat het opschrift: We horen alleen: wacht af.
Precies dat is wat demissionair minister van Defensie Ank Bijleveld ons al een tijdje voorhield op vragen van Nieuwsuur en anderen of Nederland nog iets ging doen om Afghanen hier naar toe te halen.
Het leek er bijna op of Bijleveld verwachtte dat de Taliban zich wel zouden gedragen volgens de Nederlandse bureaucratische agenda.
We zoeken het uit… vooral goed natuurlijk…

Tja, en als het dan anders loopt dan zeg je: Helaas we konden niet veel doen, de geschiedenis heeft ons ingehaald, de zaak is niet meer actueel, e.d.

Vijf maanden wachten we nu op een nieuw kabinet. Links doet erg zijn best om in het profiel van de heer Rutte te passen, maar ja, als er aan Kaag en Rutte iets wordt gevraagd komt er niet veel anders uit dan: We zijn ermee bezig…
Van de open bestuurscultuur en de radicale veranderingen die Rutte toezegde in het heetst van de strijd, is zeer weinig terecht gekomen. Dat mag duidelijk zijn.

Toen ik begin jaren tachtig overspannen de lokale politiek van Leiden verliet heb ik een ‘Handleiding politieke trucs’ nagelaten. Uitgegeven in 1983 door de Stichting Welzijn.
Onlangs keek ik er weer eens in en ja waarachtig, nog steeds van toepassing!
Zo heb ik toen een Hoofdregel bedacht: Maak gebruik van het TIJDSTIP om uw tegenstander(s) uit te schakelen door: Het aanvoeren van de ongeschiktheid van het tijdstip als mogelijkheid om u te onttrekken aan kritiek of vragen om informatie. Zo kunt u stellen dat de tijd nog niet rijp is, of dat de zaak inmiddels al niet meer actueel is.
Interessant is natuurlijk dat als je maar lang genoeg stelt dat de tijd nog niet rijp is de zaak dan uiteindelijk niet meer actueel is.

Als je geen zin hebt om Afghanen hier naar toe te halen maar liever moeilijke politieke discussies uit de weg gaat, zeg je dat de tijd nog niet rijp is, dat er nog meer moet worden onderzocht omdat je natuurlijk ZORGVULDIG wilt handelen en hoopt dan maar dat de Taliban zo snel oprukken dat je al snel kunt zeggen dat je alles geprobeerd hebt maar helaas dat de kans nu verkeken is om nog mensen hier naar toe te halen.

Bekend zijn wij trouwens ook met de ‘competentie’-argumentatie, een variant op het tijdstip-excuus.
Sorry hoor, maar we zijn niet competent oftewel bevoegd om in te grijpen. Gecombineerd vaak met een verwijzing naar een andere instantie…
Zoiets speelde bij de Srebenica-affaire. De VN deed niks noch de Navo, tja dus wat konden wij nu nog doen?
Het afschuwelijke smeken van de Bosniërs om gered te worden heeft wel trekken van wat we nu zien met de Afghanen.
“Er was niemand van de Nederlanders die ons binnen kon laten, ze zeiden ons dat ze de controle niet hadden” (citaat uit NRC). Tja…

Dus tijdstip en bevoegdheden zijn prima trucs maar ook bepaalde dooddoeners zoals ik 40 jaar geleden opmerkte.
Dat kan niet want dan krijgen we problemen met, of de financiën laten het niet toe, onderzoek heeft uitgewezen, etc.
Wat betreft de verkiezingen en het vervolg daarop krijgen we voortdurend te maken met dooddoeners: We zijn er mee bezig, het heeft onze volle aandacht… etc.
Stukken krijgen we niet te zien.
Wel opmerkelijk in een democratisch land zou je zeggen.

Ik zou er aan toe willen voegen:
Overdrijf enorm om uw argumentatie kracht bij te zetten.
Zo zei Ankie Broekers-Knol, staatssecretaris van Vreemdelingenzaken, dat we natuurlijk niet alle Afghanen die maar íéts betekend hadden voor de Nederlandse missie, hier naar toe konden halen.
Ze schiep daarmee een beeld alsof Nederland eventueel bereid zou zijn geweest volle Boeings met keukenpersoneel en vrachtwagenchauffeurs met hun gezinnen naar ons landje te halen…
Ankie, die gezien haar leeftijd toch had moeten weten dat juist vrouwen in het verzet tussen 1940 en 1945 achteraf niet werden herkend als zodanig omdat ze een praktische rol hadden gespeeld als ondersteunsters van dat verzet.

Tja, 4 mei, Srebenica, de rol van ons land in Indonesië, het is op slag vergeten als we wat moeten DOEN.
Dan worden alle politieke trucs uit de kast gehaald om in elk geval aan dat DOEN te ontkomen.
Tot oprecht verdriet van hen die wel wat deden daar in Afghanistan.
En met lede ogen zien hoe die vrouwen die zich toch tijdens hun inzet konden ontwikkelen alle hoop zien varen.*

  • Zie overigens hiervoor ook NRC met zeer interessante verhalen van de vrouwen in Afghanistan.

Naschrift.
U denkt nu wellicht dat ik zo visionair was en misschien ben, maar helaas.
Soms zat ik er volkomen naast in de jaren zeventig.
Ik voorspelde toen nl in een discussie met Kock Kerling, een vooraanstaand PvdA vertegenwoordiger, dat als vrouwen aan de macht zouden komen, de politieke cultuur zou veranderen en feminiener zou worden.
Als ik nu Kaag, Bijleveld en Broekers-Knol op een rijtje zie en hoor over het Nederlandse vluchtelingenbeleid inzake Afghanen dan weet ik dat ik er volkomen naast zat.
Vrouwen aan de macht, het wil helaas niets zeggen, ook niet als het juist ook de positie van vrouwen die onderdrukt worden betreft.

  • Zie Handleiding politieke trucs uit 1983. Kunt u vinden op mijn site onder het kopje: Onderzoek.

Ouwe koeien deel 4: Een breed offensief

Op 16 juli in een uitzending van Nieuwsuur liet Gerrit van der Burg, de voorzitter van het College van Procureurs Generaal, de hoogste baas bij het Openbaar Ministerie, zich naar aanleiding van de moord op Peter R. de Vries een aantal behartenswaardige woorden ontvallen.
Van der Burg vindt dat er een ‘breed offensief’ moet komen, dat moet beginnen in de wijken.
“Wij moeten het met elkaar doen: structuur in de wijken, scholing en genoeg kansen op een baan. Dat betekent dat je elke stap moet zetten om te voorkomen dat jeugd überhaupt vindt dat ze de criminele hoek in moeten gaan!”
Want aldus Van der Burg “de kruimeldief van vandaag wordt in de verleiding gebracht om bij wijze van spreken morgen een moord te plegen”.

“Leeglopers moeten mogelijkheden aangereikt krijgen om zich te verbeteren. Grijpen ze die kansen niet dan zullen ze steeds verder wegzakken in hun zondigheid en tenslotte terechtkomen in de categorie van zware criminelen.”
Vraagje: Wie verwoordde wanneer deze gedachte?
Heel goed lezer!: Coornhert in Boeventucht en Zedekunst dat is wellevenskunste. Coornhert die een zogenaamde ‘perfectist’ was en geloofde in het goede van de mensen schreef Boeventucht op 24 oktober 1567 naar eigen zeggen omdat hij niets te doen had en in de gevangenis zat.
Hij bepleitte (dwang)arbeid in plaats van verminking of de dood zoals toen gebruikelijk was en daarmee een vorm van heropvoeding.

Maken we even een sprong in de tijd dan zien we dat de zogenaamde ‘communitybuilding’ overgewaaid uit Amerika hier opgeld begon te doen na de Tweede Wereldoorlog en daarmee ook het opbouwwerk een belangrijke plek kreeg in Nederland vertegenwoordigd door het Landelijk Centrum Opbouwwerk.*

De latere ‘sociale vernieuwing’, ingezet onder het kabinet Kok, betekende overheidsbeleid gericht op het terugdringen van sociale uitsluiting en werkloosheid, het verbeteren van de leefomgeving en van de doelmatigheid en kwaliteit van voorzieningen die er zijn.
Het rapport ‘Wijken onder druk’ dat ik schreef toen ik nog bij de Harmonisatieraad Welzijnsbeleid werkte kreeg impact via dit beleid.
In 2000 verscheen van mijn hand: Recht doen aan de buurt. Daarin werd beschreven hoe in de Indische buurt in Zwolle met succes een samenwerkingsverband was gevormd tussen wijkagent, opbouwwerker en woningbouwcorporatie. Op donderdag 9 november 2000 was er naar aanleiding van het verschijnen van dit onderzoeksrapport onder auspiciën van de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie een symposium in het stadhuis van Zwolle waar de bewoners van de Indische buurt uitdrukkelijk waren uitgenodigd.
Uitgangspunt en constatering was: Het is het beste om van participatie van de bewoners uit te gaan.

“Met een directe en persoonlijke benadering van bewoners kunnen beroepskrachten en agenten in buurten veel bereiken,” concludeerde ik toen.
Maar helaas bleven ‘instellingen de problemen rondpompen’ aldus is te lezen in een verslag in Zorg en Welzijn van 20 december 2000.
Vervolgens hebben we nog te maken gehad met de zogenaamde Krachtwijken van Ella Vogelaar, maar het mocht niet baten.
Van der Burg ziet kennelijk alweer de noodzaak op wijkniveau wat aan de groeiende problemen te doen opdat kruimeldieven geen moordenaars worden van mensen als Peter R. de Vries.

  • Zie Wilsbeschikkingen over de geschiedenis van het opbouwwerk en de grote inspirator: Wil van de Leur, Dr. Gradus Hendriks Stichting 2009, Opbouwteksten 22.

Ouwe koeien; deel 3: de Club van Rome

Herhaaldelijk krijg ik tegenwoordig door mijn kinderen de vraag voorgelegd hoe het toch kan dat hun vader en ik indertijd geen auto hadden. En dat met drie kinderen! roepen zij er dan achteraan.
Onvoorstelbaar vinden ze dat. Soms gaat hun verbazing gepaard met hoofdschudden in de trant van: wat een sukkels. Soms ook hoor ik een zekere bewondering in hun stem naast de verwondering. Dan klinkt er iets door van goh, dat flikten ze toch maar!

Sowieso begrijpen ze vaak niet ‘hoe wij het deden’.
Allebei werken, allebei ambities en weinig hulp en ondersteuning.
We zaten op tweedehands banken en stoelen en hoewel we uiteindelijk wel een werkster hadden liet het huishouden en de organisatie ervan te wensen over.
Materiële zaken leken wij niet zo belangrijk te vinden.

Waar kwam dat vandaan?
Wij, de babyboomers die nu alleen in verband worden gebracht met teveel geld en huizenbezit, zaten met een torenhoog schuldgevoel, althans dat zag ik om me heen.
De Club van Rome had ons in 1972 met het rapport Grenzen aan de groei al duidelijk gemaakt dat het zo niet langer kon.
Als de westerse maatschappij in hetzelfde tempo bleef consumeren, zou de rek er binnen honderd jaar uit zijn.
De uitputting van grondstoffen zou al binnen vijftig jaar voor problemen zorgen.
Het is nu dus zover en behalve uitputting van grondstoffen krijgen we te maken met rampen all over the world vanwege oververhitting en klimaatverandering.
Kinderen krijgen werd toen afgeraden, de aarde was al overvol. Ik weet nog goed dat ik vond dat een bevriend echtpaar eigenlijk verraad pleegde toen ze besmuikt vertelden dat de vrouw van het stel zwanger was.

En het bezit van auto’s leidde behalve tot schadelijke uitstoot tot een vreselijke achteruitgang van het leefklimaat.
Kinderen konden niet meer rustig buitenspelen zonder gevaar voor eigen leven en de vrijheid van zowel hen als hun ouders werd dus niet meer maar minder want ze moesten constant per auto naar al hun clubjes werden gebracht.
Fietsen werd immers gevaarlijk, zeker voor jonge kinderen.
Maar er was meer aan de hand.
Als je jezelf als feminist serieus nam nam je bijv geen werkster want je buitte je geslachtsgenoten niet uit.
Doe het zelf, was de leus.
En consuminderen dus.
Er was zelfs een echtpaar dat zich de Vrekken noemde en een gelijknamig blad uitbracht.
De foto op de cover liet zien dat ze, als de winter aanbrak, zichzelf verwarmden met eigen gemaakte slobbertruien die naadloos overgingen in stoelen.
Ook hun kinderen deden aan deze reductie van fossiele brandstoffen mee.
Kom daar nog maar eens om!

Wat ik wel eigenaardig vind is dat het erop lijkt of in een tijd van 5 over 12, ipv 5 voor, de algehele sfeer wel is dat duurzaamheid een goed is en dat we er wat aan moeten doen maar dat de urgentie bij opgeleide dertigers, zeker die met kinderen niet meer zo wordt gevoeld.
Misschien minder vlees en meer biologisch maar wel auto’s soms zelfs twee en zeker geen tiny houses!
Ook waar men vond dat consuminderen noodzakelijk was, zie je dat wanneer er kinderen komen de goederen zich in rap tempo uitbreiden..
Als zeventigplusser, zelf overigens zeker niet wonend in een tiny house houd ik mijn mond maar en vermijd te praten over de ‘goede oude tijd’, waarin schuldgevoelens nog een groot deel van ons gedrag beheersten.

Ouwe koeien 2: Het open huwelijk

In de NRC van 17 juli staat een stuk over polyamorie. Antropoloog Roanne van Voorst is op zoek naar de toekomst van de liefde en beschrijft erin een polyamoreus huishouden.
Wat mij betreft niets nieuws onder de zon ook al is misschien de taal wat veranderd.
Zo spreken degenen die lid zijn van zo’n huishouden over ‘jalief-zijn’ als alternatief van jaloers-zijn.
Volgens de polyamoristen is het hen niet te doen om kortstondige seksavontuurtjes met vreemden maar om het onderhouden van duurzame, romantische liefdesrelaties met meerdere mensen. Voordeel is dat je niet in hokjes hoeft te denken en dat het ‘gezelliger’ is dan in een monogame relatie.
Het nadeel is dat het wat ‘rommeliger’ is, dat je aan efficiënt tijdsmanagement moet doen en een gedeelde digitale agenda is een must, aldus ene Jochem met wie de schrijfster van het stuk een strandwandeling maakt.

Ik kan me voorstellen dat er in tijden van Corona nog wel een factor bijkomt, namelijk hoe doe je dat met vaccinaties zeker als er mensen tussen zitten die geen vaccinaties willen. Opvallend genoeg refereert Van Voorst aan verschillende wetenschappers die zeker weten dat polyamorie in de toekomst in het Westen een geaccepteerd en bekend alternatief zal gaan vormen voor ons huidige en dominante liefdesmodel.
Ik denk dan stiekem: Als je naar onze toekomst kijkt waarin een virus als Corona niet meer is weg te denken lijkt ego-amorie of het celibaat me nog het meest haalbare.
Overigens hoefden wij ons in onze tijd alleen met soa’s bezig te houden en dat vonden we al ingewikkeld genoeg.

Maar even terug naar de jaren zeventig.
‘Open marriage’ was in.
Ik herinner me nog een gesprek in de tent ergens in Finland waar ik met mijn eerste echtgenoot rondtrok, over de voor- en nadelen van het open huwelijk.
Hij was er wel voor, ik niet zo, werd allengs duidelijk. Ons huwelijk heeft niet lang stand gehouden. Misschien was dat gesprek toen al een manier om een escape-route aan de orde te stellen…

In het stuk van Van Voorst wordt het open huwelijk uit de jaren zeventig weggezet als een verhouding waarbij je openlijk seks kon hebben met anderen zonder dat dat ten koste ging van je huwelijk of relatie, maar dan ging het vooral om de seks.
Het open huwelijk kwam inderdaad voort uit de zogenaamde seksuele revolutie waarbij men afrekende met de zondige connotaties van het begrip overspel. Toch kon er ook wel degelijk sprake zijn van duurzame en intieme relaties.
Zo was er in het Leiden waarin ik veertig jaar heb gewoond een bekende commune (we noemden dat toen communes) op de Herengracht, met evenveel vrouwen als mannen, ik meen zes maar misschien waren het er vier, waarin ook kinderen werden geboren en opgroeiden.

Ik kende de vrouwen, twee waren actief in het onderwijs en in de PvdA.
Mij intrigeerde het altijd hoe ze leefden en hoe ze omgingen met relaties, ouderschap en met name rolverdeling.
Eén van hen wist mij in een paar boeiende gesprekken duidelijk te maken hoe voordelig het vooral voor vrouwen was en hoeveel individuele vrijheid het gaf, een dergelijk levens- en gezinsvorm.
Terwijl ik moeizaam voortploeterde in een relatie met iemand die in eerste instantie het vaderschap niet heel erg zag zitten en bij wie ik nogal eens krampachtig probeerde om hem ‘naar huis’ te trekken, leek me zoiets best weldadig.
Alleen realiseerde ik me ook dat ik qua karakter te jaloers zou zijn om me volkomen relaxed en gelukkig te voelen als ik weer een avondje vrijaf zou hebben omdat een commune-genoot samen met de biologische vader van mijn kind zowel zorg- als bed- dienst had.

Ik denk ook dat in die tijd, de tijd dus van de communes, speelde dat het begrip ‘bezit’ een verdachte klank had.
Dat gold voor materiële goederen en geld; ik herinner me nog dat ik me vreselijk schuldig voelde toen ik van de verkoop van ons eerste huis, dwz van mijn eerste echtgenoot en mij flink veel geld overhield.
Maar het gold zeker voor het bezit van een ander mens.
Een man of vrouw was geen bezit, kinderen ook niet trouwens.
Alles was tijdelijk. Er was toen een groot besef van tijdelijkheid en eigenlijk ook bescheidenheid. Daar kom ik in mijn volgende blog op terug.

Ouwe koeien; deel 1

De vakantie is begonnen.
Het lijkt me mooi om de gelegenheid te baat te nemen om wat ouwe koeien uit de sloot te halen.
Ik ben van 1946 en dan overvalt je steeds een zekere melancholie als je merkt dat er onderwerpen de revue passeren waar je je (en dat wil zeggen ik) een groot deel van je leven mee hebt beziggehouden.
Ik noem de vrouwenemancipatie, het probleem van de sociale ongelijkheid waar zelfs het opperhoofd van het Openbaar Ministerie zich bij Nieuwsuur zorgen over maakte in het kader van de georganiseerde misdaad, de leemte in de rechtshulp, waar ik eerder al aandacht voor vroeg, maar ook het milieu.
Wij leefden indertijd met het indringende rapport van de Club van Rome, Grenzen aan de groei uit 1972, een duidelijk signaal dat we qua economische groei zo niet verder konden.
Als nu mijn kinderen zich vertwijfeld afvragen hoe het toch mogelijk was dat hun ouders drie kinderen opvoedden zonder het bezit van een auto en zich zoiets niet kunnen voorstellen verwijs ik naar de notie van een sterk besef van eindigheid uit die tijd.
Niet alleen voor mijn kinderen maar ook voor u, lezer, zal ik in deze periode proberen om iets weer te geven van het tijdsbeeld waarin ik leefde toen ik mijn gezin stichtte…

Laat ik in dit eerste deel beginnen met aan te haken aan de actualisering van Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre door Floris Alkemade in het programma Zomergasten.
Hij laat daarin een stukje zien van een documentaire uit 1960 waarin je het stel aan het werk ziet en De Beauvoir wordt bevraagd over haar boek Le deuxième sexe oftewel De tweede sekse dat ze schreef in 1949.
Ze zegt in de documentaire dat in een burgerlijke maatschappij de heersende klasse, die uit mannen bestaat, belang heeft bij het depolitiseren of onmondig houden van vrouwen.
Maar als vrouwen gedepolitiseerd zijn worden mannen dat ook, aldus De Beauvoir.
Zij vindt dat vrouwen moeten ‘werken’ en daarmee bedoelt ze actief deelnemen aan de samenleving, hetgeen ook impliceert dat ze participeren in een vakbond en voor hun rechten opkomen.
Kinderen en het aanrecht worden bij haar in één adem genoemd. Geen aanbeveling voor Simone.

En als de interviewer haar vraagt of ze zich niet gemankeerd voelt omdat ze geen kinderen heeft dan weet ze hem ferm van repliek te dienen en zegt dat zij tenminste als bekende schrijfster, sociologe en antropologe haar dromen waar maakt.
Met andere woorden: Mèt kinderen kun je het schudden als vrouw.
Als ik kijk naar haar grote invloed op mijn generatie, maar zeker ook op mij, dan weet ik voor mezelf nog het schrikbeeld op te roepen van een toekomst waarin je als vrouw totaal afhankelijk wordt van een man die de kost verdient.
Als zo’n man dan opeens verliefd wordt op een ‘huppelkutje’ – sorry voor de term maar zo noemden we dat in die tijd – dan sta jij met lege handen en een lege portemonnee en heb je nergens recht op.

Gelukkig zorgde Marga Klompé in die begin jaren zestig voor de introductie en aanname van een Algemene Bijstandswet, die vrouwen (samen met de inmiddels uitgevonden pil) de kans gaf om (met kinderen) een onafhankelijk leven te leiden en te scheiden als ze bijv werden mishandeld, maar het was een nooduitgang.
Ik wilde oorspronkelijk geen kinderen met de man die me bezwoer dat hij geen zin had om taken met mij te delen en zijn vrijheid even belangrijk vond als ik de mijne.
Dat ze er toch kwamen had erg veel met toeval te maken. De relatie bleef in elk geval altijd onder druk staan van moeizame onderhandelingen en mondde uiteindelijk uit in een echtscheiding.
Dat was natuurlijk niet de schuld van De Beauvoir maar als ik nu zie dat mijn oudste zoon en zijn vrouw een wat meer ouderwetse rolverdeling prima vinden en zich daar goed bij voelen, vraag ik me wel eens af hoeveel mijn ideologische stellingname me eigenlijk gekost heeft.

Boeken waren sowieso richtinggevend voor mij indertijd.
Zo werd het onderzoek van Lillian Rubin, Intieme vreemden, door mij verslonden en zeer serieus genomen.
Rubin stelde dat jongens een betere vaderband zouden moeten hebben en als ze zagen dat hun vader ook zorgzaam kon zijn dan zouden ze dat (goede) voorbeeld van hun vader volgen.
Maar daarvoor was natuurlijk wel nodig dat moeder de vrouw haar rol als zodanig meer losliet, ging werken en vader de kans gaf ook zorgend te zijn.
Een Umwertung aller werte dus! En buitengewoon veeleisend.

Achteraf betreur ik het nog steeds dat mijn oudste toen hij anderhalf was en erge koorts had op een vakantie en om zijn moeder riep, niet zijn zin kreeg.
Zijn vader werd door mij gemaand om naar hem toe te gaan.
De schat riep: “Weg, weg”, tegen hem en R. wilde mij er toen bij betrekken maar ik persisteerde en dwong hem alsnog zijn vaderrol op zich te nemen.

Zo ideologisch was ik toen.
Mijn kinderen hebben gelukkig een goede band met hun vader tot op de dag van vandaag en hoewel de een de onderlinge rolverdeling anders invult dan de ander, doen ze niet onder voor hun partner in zorg voor hun kinderen.
Eind goed al goed zou je zeggen en de moraal van het verhaal: voed je kinderen niet te ideologisch op, maar vergeet toch ook niet als vrouw je eigen (financiële) belangen in de gaten te houden en op tijd veilig te stellen.