Categoriearchief: Blog van Joyce

Bartje; sprookje van deze tijd

Er was eens een jongetje dat Bartje heette Bartje de Vries. Eigenlijk heette hij Bartholomeus de Vries Robbé van Havercorn tot Rijswijk, maar dat vond iedereen te lang, dus werd het De Vries. En ook Bartholomeus bleek niet haalbaar, je roept nu eenmaal als moeder niet: Bartholomeus de pap is klaar of zoiets. Dus het werd Bartje.
Het gekke is wel dat het nooit Bart werd, Bart, Bartholomeus dus eigenlijk, bleef Bartje tot op hoge leeftijd.
Bartje had een goede inborst. Zijn vader zei altijd: Bartje is te goed voor deze wereld en omdat hij dat vond en bang was dat Bartje daar erg onder zou gaan lijden, hij had zelf de oorlog ternauwernood overleefd door iemand anders een stuk brood afhandig te maken, probeerde hij hem streng op te voeden.

Dus als Bartje tegen zijn jongere broertje zei: “Jij mag mijn taartje wel hebben,” als er weinig taart was, zei zijn vader: “Nee Bartje, sta nou eens eindelijk op je strepen, jij eet dat stuk taart op!” En dat deed Bartje dan, maar wel met lange tanden.

Op school was het ook niet makkelijk dat hij zo’n goede inborst had. Hij werd al gauw gepest door brutale jongens, die dan expres iets ondeugends deden in de klas en als de onderwijzer het niet door had en vroeg wie iets had gedaan gaven ze Bartje de schuld.
Maar als je nou denkt dat Bartje dom was, wat veel mensen en ook kinderen dachten, dan heb je het mis. Bartje was helemaal niet dom, hij zag veel en dacht veel na en hij vond de wereld al toen hij heel klein was raar in mekaar zitten.
Waarom, dacht Bartje bijv, worden we geboren en met heel veel moeite groot gebracht om dan toch later weer dood te gaan?
Niemand kon hem dat uitleggen en hoewel hij in zijn beginjaren veel vragen aan zijn ouders stelde, hield hij daar al gauw mee op, toen hij zag dat ze toch geen antwoorden konden geven en ze er geen raad mee wisten, ze werden er gewoon zenuwachtig van.

Omdat hij dus niet meer zoveel vroeg en vervolgens ook niet meer zoveel zei en aldus ook volgens zijn moeder zich ‘het kaas van zijn brood liet eten’, maakten zijn ouders zich steeds meer zorgen en lieten Bartje al vroeg testen. Wat bleek? Bartje bleek een heel hoog IQ te hebben, hij was zo werd gezegd eigenlijk hoogbegaafd en hoog-sensitief!
Iedereen stond versteld, hij kreeg meteen een andere plek in de klas, letterlijk en figuurlijk.De school kreeg speciale subsidie voor hoogbegaafde kinderen dus was het algehele gevoelen dat Bartje een ereplek moest krijgen. Met Bartje konden ze opeens scoren, zo heette dat toen. Want in de wereld waarin Bartje opgroeide ging het om ‘scoren’, op het voetbalveld natuurlijk, want dat was de algemene sport waar iedereen van hield of van moest houden, maar ook in de kunst of in de wetenschap of op de televisie.
En als je had gescoord zo werd Bartje al spoedig duidelijk, werd je BN’er, dat is dat je bekend werd en bekend betekende dat je overal voorrang kreeg. Je kreeg bijv de beste plek bij een wedstrijd, welke ook, als je ziek werd gingen ze extra aandacht aan je besteden en zelfs de rechter werd voorzichtig als een BN’er iemand aanklaagde of zelf werd aangeklaagd.
BN’er moest je dus zien te worden dacht Bartje. Maar hoe kun je nu BN’er worden als je een goede inborst hebt? En bovendien hoogbegaafd? Want als je een goede inborst hebt gaat het je er niet om te scoren maar gaat het je om het spel zelf en vooral de sportiviteit, het samen met anderen spelen of alleen spelen want daar hield Bartje eigenlijk het meeste van. Hij had weinig vriendjes omdat hij de andere kinderen vaak niet begreep en ze hem maar raar vonden, zo aardig en dus onbetrouwbaar want als je zo aardig was als Bartje geloofden ze er niet in. Dat kon gewoon niet waar zijn. En hij maakte vaak opmerkingen die niemand begreep zoals: waarom vind je het eigenlijk zo leuk om aldoor op een scherm te kijken naar iets wat niet bestaat? Kijk dan liever naar dat meisje dat net gevallen is en haar knie heeft bezeerd.
Ja, hoor riepen ze dan in koor, dat is nou net weer iets voor Bartje! Dat meisje heeft haar knie bezeerd, jammer joh, moet ze maar niet zo stom zijn om te vallen, eigen schuld dikke bult, of woorden van die strekking.
Bartje werd dus voorzichtig met anderen. Hij leerde zich alleen te vermaken. Bijv door de natuur in te gaan en tegen een boom te praten. Zijn ouders bleven zich zorgen maken ook al wisten ze nu dat hij hoogbegaafd en hoog-sensitief was en bedachten dat ze maar een hond voor Bartje moesten kopen. Dat deden ze en het hondje, een lieve schapendoes met heel veel haar dat ze knuffel noemden, en Bartje werden onafscheidelijk.

Maar natuurlijk ging Bartje ook naar de middelbare school waar hij knuffel niet mee naar toe kon nemen. Het werd het gymnasium en daar zaten meer hoogbegaafde en hoog-sensitieve kinderen op, maar het verschil was wel dat een goede inborst daar weer veel moeilijker was te vinden. Veel kinderen hadden van hun ouders meegekregen dat het erg belangrijk was om te scoren en dat ze moesten zorgen altijd nummer één te zijn. En dat betekende dat ze daar heel veel voor over hadden. Zo waren er nogal wat klasgenoten die stiekemerds waren, ze deden als de leraar keek heel oplettend en maakten een goede indruk maar nauwelijks verslapte de aandacht even of ze keken af bij anderen of prikten hun buurvrouw in de rug.
Bartje zag dat allemaal en kon er niet tegen, maar wilde het ook niet verklappen aan de leraar, dus ‘trok hij zelf steeds aan het kortste eind’, zo noemden ze dat bij hem thuis.
Bartje was dus te goed voor de wereld, liet zich de kaas van het brood eten en trok zodoende ook nog aan het kortste eind.
Een duidelijk geval van een ernstige afwijking in de wereld waarin Bartje opgroeide.
Zijn ouders gingen met Bartje naar een bevriende psychiater, een bijzonder aardige man die meteen al tegen zijn ouders zei dat ze hem met Bartje even alleen moesten laten.

Toen ze alleen waren was de eerste vraag die hij Bartje stelde: “Bartje wat vind jij van het leven? Wat zou je willen met het leven dat je gekregen hebt?” En Bartje zei zonder aarzelen: “BN’er worden, maar ik weet niet hoe dat zou moeten met mijn goede inborst”. En hij vertelde de psychiater dat hij buiten zijn ouders om zich had opgegeven voor het tv-programma De Mol-junior, een programma waarbij iemand de mol is en dat je dan de mol moet vinden. Als je daaraan meedeed kon je BN’er worden, werd gezegd.
Maar Bartje was afgewezen omdat hij niet kon liegen en bedriegen en dat was nodig voor dat programma en je moest ook je beste vriend kunnen verraden. Dat was nu juist ook zo leuk vonden ze daar op tv.
De psychiater hoorde zijn verhaal aan en moest heel erg lachen om Bartje.
“Weet je wat jij moet worden,” zei hij lachend, “je moet eerst slecht worden, gewoon van dat ‘goede inborst’-image af want beste Bart, ik mag wel Bart zeggen hè? Dat is allemaal onzin hoor. Jij bent tweede generatie oorlogsslachtoffer dat kan iedereen zien, je ouders hebben de oorlog overleefd omdat ze voor zichzelf opkwamen en dat nemen ze zichzelf nu nog kwalijk. Want naar hun idee gingen alle ‘goede’ mensen naar de gaskamers en werden geëxecuteerd omdat ze onderduikers hadden of in het verzet zaten of gewoon een verkeerde vader of moeder.Ze zijn bang dat hun kinderen te kwetsbaar zijn en het niet zullen overleven. Jij bent een heel gewoon kind hoor maar je ouders dachten maar steeds dat je veel te goed was en dus kwetsbaar, laat je niks wijsmaken hoor, jij bent net als alle anderen ook gewoon slecht en goed, een mix van van alles en nog wat!”

Dat gesprek luchtte Bartje enorm op en vanaf dat moment liet hij zich Bart noemen en hoefde van zichzelf geen goede inborst meer te hebben laat staan te zijn.

Hoe is het nu eigenlijk afgelopen met Bartje die Bart werd? Toen hij zijn middelbare schooltijd had doorlopen en als een van de besten slaagde voor zijn eindexamen, is hij begonnen om zijn droom zoals hij dat noemde waar te gaan maken en dat was BN’er worden. Niet studeren of op wereldreis gaan zoals veel van zijn klasgenoten maar goed om zich heen kijken en kijken waarmee je BN’er werd. En Bartje die zich nu Bart liet noemen en zijn volledige achternaam begon te gebruiken om meer indruk te maken, zag  dat er een paar goede mogelijkheden waren om bekend te worden bijv een grote brand stichten, hard schreeuwen op 4 mei op de Dam, een overval plegen, een top BN’er ontvoeren en dan was er grote kans dat je op tv kwam in een zogenaamde College Tour, waarbij studenten aan je lippen hingen. Je kon dan ook meteen je levensverhaal schrijven of laten schrijven en dat boek dat dan uitkwam werd zo goed verkocht dat je binnen was voor je hele leven.
Maar je kon natuurlijk ook oplichter worden, vaak eerst onzichtbaar bijv als financieel adviseur of bij een bank. Als je dan directeur van zo’n bank werd die valse beleggingen had uitgegeven waaraan heel veel mensen veel geld hadden verloren kon je later directeur van een toezichthouder op de banken worden, zo bleek Bart. Of in de politiek, je zei van alles wat je zou gaan doen en kreeg dan veel stemmen en dan kreeg je een mooie baan en werd bovendien bekend en deed dan iets heel anders. Of je schreef stukken in kranten die helemaal niet klopten en dan dachten mensen dat de wereld zo in elkaar stak. Of je bedroog de mensen door te beweren dat kanker te genezen was en dan wist je zelf wel beter maar toch zei je dat om dan weer geld te krijgen of je vervalste gewoon je resultaten van onderzoek om weer geld te krijgen. Al die mensen werden bekend, schreven boeken over zichzelf en mochten altijd op de eerste rij zitten bij een voetbalwedstrijd.

Bart zag dat en dacht dat kan ik ook. Ik ben mijn hele leven een goede inborst geweest, we gaan de bakens eens verzetten, zo noemde hij dat. En omdat hij toch nog steeds een beetje eerlijk was koos hij voor de georganiseerde misdaad, gewoon omdat iedereen dan wist dat hij misdadiger was en dat was wel zo eerlijk vond Bart. Dus na 24 jaar goed doen ging hij nu mis doen. Hij overviel een bank, maar op een tijdstip dat er niemand aanwezig was, kraakte een kluis en jawel hij kon er niets aan doen maar gaf tweederde van het geld aan arme mensen die hij toevallig kende, moeders in de bijstand. Eigenlijk werd hij een herverdeler, hij haalde geld weg bij de rijken en gaf het aan de armen, maar hield er zelf toch ook wel een aardig zakcentje aan over. Dat nu werd bekend, men wist niet wie het was maar dat er een grote crimineel was die aan herverdeling deed, daar kreeg men lucht van. En dat kon natuurlijk niet want nu paste hij nergens meer in, hij was niet slecht maar ook niet goed, hij was bekend maar ook weer niet. Na veel zoeken wist een journalist die onderzoek deed op het gebied van de georganiseerde misdaad hem op te speuren en interviewde hem op een geheime locatie.

Nu was iedereen geïnteresseerd. De minister van Veiligheid, vroeger heette dat Justitie wilde hem heel graag hebben als crimineel burgerinfiltrant, dat was een prachtbaan en een carrière voor misdadigers die zich toelegden op oplichting en verraad, een soort De Mol voor volwassenen. Maar Bart zag dat niet zitten. Want wat hij als groot inzicht in zijn leven kreeg is dat hij juist veel bekender was als hij zich niet bekend maakte en toch achter de schermen opzienbarende dingen deed. Zo dachten zijn ouders dat hij een keurige baan als boekhouder had, zijn vrouw dat hij zzp-er was, dat is een zelfstandig werkende ondernemer en veel thuiswerk deed en zijn kinderen dat hij een goede vader was maar ook geen watje.

En zo leefde Bart als mix van goed en kwaad nog lang en gelukkig! En de psychiater die hem ooit had onderzocht? Die lachte in zijn vuistje en dacht “Ach, wat een mooi vak heb ik toch!”

Het land van de meerdere levens; sprookje van deze tijd

Er was eens een meisje dat Esmeralda heette, een mooie naam voor een mooi meisje zeiden haar ouders. En dat was ook van haar geboorte af aan de bedoeling.
Esmeralda zou mooi zijn van binnen èn van buiten, zo was beschikt vonden ze. Ze groeide op in een land waar meisjes als ze de leeftijd ervoor hadden dus vanaf 12 tot 14 jaar rijp werden gevonden, zoals een appel rijp wordt gevonden als hij een bepaalde tijd aan de boom hangt.
Meisjes waren voorbeschikt om mooi te zijn en dat dan vooral niet ten behoeve van henzelf of het eigen genot maar juist voor anderen. Meisjes groeiden op om vrouwen te worden die anderen dienden en dan vooral de man.

Want zo stond het geschreven in dat land: Een man is als het kolkende water van de rivier. Hij is onrustig. Hij wil de wereld ontdekken, stromen. Een vrouw is zijn oever. Zij geeft hem richting, damt hem in. Zij bundelt zijn kracht. Dat is de natuur van man en vrouw. Ze hebben elkaar nodig. Een rivier die niet ingedamd wordt stroomt over, richt ravage aan, vernielt en verliest uiteindelijk al zijn kracht. Maar ook een oever waarlangs geen water stroomt verbrokkelt, valt uit elkaar. En een vrouw werd natuurlijk – met de nadruk op natuurlijk – moeder. Ze kreeg kinderen en liefst ook veel, waarvoor ze zorgde omdat dat haar natuur nu eenmaal was: zorgen. Het was eigenlijk vrij simpel in dat land, iedereen zo vond men had één leven hier op aarde, maar dat leven stond in het teken van een leven na de dood. Dus eigenlijk had je meer levens, één nu en eentje hierna.

Dat was Esmeralda al heel vroeg geleerd toen ze met haar ouders naar een groot gebouw gingen waar een meneer in het zwart daarover vertelde en hoe mooi het leven hierna wel was. Maar juist omdat het leven hierna zo mooi kon zijn moest je in het leven hier mooi zijn van binnen en als het even kon van buiten maar dat laatste was al eigenlijk het geval als je mooi van binnen was. En om mooi van binnen te zijn , en dus van buiten moest je goed naar die meneer in zijn zwarte jurk luisteren want hij wist precies hoe je mooi van binnen en dus ook van buiten werd.Zo vond hij het heel gewoon dat meisjes thuis bezig waren met van alles en nog wat.
Het was niet de bedoeling dat ze stilzat, zo zei Esmeralda’s  moeder ook, ze werd de hele dag aan het werk gezet want er moest een heleboel gebeuren, schoongemaakt, de was gedaan en bij hen thuis waren er 7 kinderen, dus 9 mensen, boodschappen gedaan, eten gemaakt, gezorgd voor de kleintjes enzovoort enzovoort.
Esmeralda was een lief meisje en luisterde heel goed naar die meneer in het zwart en ook naar haar ouders maar ze begreep ze niet.
Hoe kon, dacht ze, een meneer dus een man, nu weten wat goed was voor een meisje zoals zij? En waarom had hij nou zo’n zwarte jurk aan die hem helemaal niet stond? Want Esmeralda bleek van jongs af aan een talent te hebben om kleding te maken en ook te ontwerpen. .

Haar ouders vonden dat wel goed want dat zou haar voor haar latere taak als huisvrouw en moeder wel goed uitkomen om zelf kleren te maken voor haar kinderen, dat zou ook minder kosten.
Toen Esmeralda 12 was ging haar oma dood. Ze had altijd een hele goede band met haar oma gehad en die had haar verteld dat ze als ze doodging naar de hemel zou gaan en daar opa weer zien en dat ze dan het erg goed zouden hebben samen, een soort eeuwige vakantie met altijd mooi weer en dan zou ze echt gelukkig zijn.
Maar toen haar oma daar bij hen thuis lag opgebaard keek Esmeralda eens goed en oma zag er helemaal niet gelukkig uit, integendeel ze was heel grauw en had een ingevallen mond en was ook heel koud als je haar aanraakte en dat vond Esmeralda maar griezelig.
Ook had oma een zwarte jurk aan en al degenen die bij hen op bezoek kwamen hadden ook zwarte jurken aan en Esmeralda dacht: hoe kan dat nou, als oma in de hemel komt en het daar zo fijn is, waarom is niemand dan blij voor oma en waarom doen ze allemaal zo droevig?

De meneer in de zwarte jurk in het grote gebouw hield voor oma een afscheidsspeech.
Die ging ook helemaal niet over een mooie vakantie en een fijne tijd met opa, maar over de zondes die oma gehad zou hebben en Esmeralda begreep maar steeds niet wat dat waren zondes, maar daar had die meneer het wel heel vaak over.
Haar moeder zei wel eens als ze  melk knoeide, hè wat zonde! Maar dat kon die meneer toch niet bedoeld hebben, want oma knoeide nooit melk.
In diezelfde tijd begon Esmeralda opeens te bloeden vanonder en ze schrok zich dood. Ze durfde het niet tegen haar moeder te zeggen maar die had het al heel snel door en zei: Es, want soms noemde ze haar Es, van nu af aan moet je oppassen voor mannen want die willen wat van je en dat moet je ze niet geven pas als je met één van hen getrouwd bent.
Dus vanaf toen begon Esmeralda haar buurjongens te wantrouwen en zelfs haar broers en vader want misschien wilden ze wel wat van haar wat ze niet kon geven en als ze dat toch gaf was dat een zonde had haar moeder gezegd.

Nu had Esmeralda 5 broers en één zusje, een jonger zusje, ze scheelde een jaar met Esmeralda en leek ook op haar maar ze was “recalcitrant” zo noemden haar ouders haar. Ze vonden haar lastig omdat ze vaak moeilijke vragen had waarop niemand antwoord kon geven. Haar zusje zei en vroeg eigenlijk wat Esmeralda ook dacht maar niet zei of vroeg.
Haar zusje heette Lotje en als ze weer eens lastig was zeiden haar ouders: jij verandert nog eens in een zoutpilaar! Want in het grote boek dat hun ouders lazen was Lot doordat ze omkeek, wat ze niet mocht, veranderd in een zoutpilaar.
Lot of Lotje had toen ze hoorde dat Esmeralda bloedde opeens gezegd: weet je wat jij moet doen Es? Je moet naar het land van de meerdere levens gaan, weg van hier!
Nu kan het nog hoor. En jou verdenken ze niet want jij bent altijd zo lief en gehoorzaam en mij houden ze in de gaten.

En Esmeralda had Lotje gevraagd: wat is dat dan voor land en wat bedoel je eigenlijk?
Lotje had geheimzinnig gefluisterd: dat is een land niet ver hiervandaan, eigenlijk best dichtbij, daar hebben ze grote schermen waar je naar kan kijken en waarop je de hele wereld kan zien en meisjes en jongens zijn wel anders maar niet zoals bij ons.
Nu was Esmeralda ook wel op gevallen dat jongens veel meer mochten, ze hoefden niet thuis te blijven en waren ook niet bang om iets aan meisjes  te geven wat ze niet mochten geven en wat een zonde was.
Ze hoefden de was niet te doen en konden lekker buitenspelen en ravotten zonder dat iemand tegen hen zei dat ze vies werden. Ze mochten ook veel meer zeggen. Hun vader vond dat wel leuk en zei dan dat haar broers slim waren en later vast gingen leren.
In het grote gebouw zaten de jongens en de mannen vooraan en konden altijd goed zien wat er gebeurde en dronken na afloop een glaasje van het een of ander, terwijl de meisjes en vrouwen naar huis gingen om het eten te bereiden.

Lotje zei: in dat land van de meerdere levens  is de vrouw geen oever, maar zijn vrouwen net zo onrustig als mannen en willen ook de wereld ontdekken en stromen en hoeven de ander niet te dienen of zichzelf in te dammen. Ze hoeven alleen maar te bedenken wat ze zelf eigenlijk zouden willen. Misschien willen ze wel helemaal geen man!
Toen Lotje dat zei, schrok Esmeralda en legde een vinger op de mond van haar zusje en zei: Ssst, houd op dat is een zonde!! Jij komt vast niet in de hemel dadelijk.
En Lotje zei: Nou dat hoef ik niet hoor, het lijkt me alleen maar erg saai daar!

Die nacht sliep Esmeralda niet, ze was gaan twijfelen over wat Lotje had gezegd.
Dat was ook zo’n flapuit, maar soms zei ze wel goede dingen…
Vaak had ze ook naar zo’n land verlangd, waar je zelf iets in te brengen had als meisje, waar je lot niet vastlag en je niet voorbestemd was. Jaren gingen voorbij waarin Esmeralda niet meer terugdacht aan wat Lotje gezegd had tot haar moeder een keer tegen haar zei: Esmeralda, trek een nette jurk aan en breng thee in de mooie kamer bij je vader en Winter en zijn ouders.
Esmeralda schrok. Zou dat nu de man zijn voor wie zij was voorbestemd?
Ze kende Winter al langer, hij woonde verderop en keek haar altijd schuins aan. Niet recht maar schuins en niet schuin maar schuins.
Alsof hij iets van haar wou en dat kon ze hem niet geven wist ze nu al langer maar dat wou ze ook niet want Winter was niet mooi van buiten maar dacht ze meteen, ook niet van binnen.
Onmiddellijk dacht ze terug aan de woorden van haar zus Lotje een paar jaar geleden.

En terwijl ze de jurk aantrok en de thee bereidde met een koekje erbij liet ze haar gedachten gaan over het land van de meerdere levens.
Wat had Lotje alweer gezegd? Dat land lag dichtbij en meisjes en vrouwen konden er meerdere levens tegelijk hebben.
Ze geloofden daar niet in een leven na dit leven maar wel in een aantal levens die tegelijk plaatsvonden. Zo kon je moeder worden en toch veel buitenshuis zijn, je kon zelfs reizen in die tijd naar verre landen, want dan werd er voor je kind gezorgd.
Je mocht ook werken bijv als verpleegster in een ziekenhuis waar ook mannen lagen die je dan verzorgde, wat in hun land niet kon of verkoopster worden en allerlei publieke functies uitoefenen als buschauffeur of onderwijzeres.
Je hoefde je niet steeds te bedekken en mocht gewoon je vrouwelijke vormen laten zien zonder dat dat dan een zonde was.
Je mocht zelf een man uitzoeken op wie je verliefd was, zo heette dat daar.
En als dat niet beviel ging je bij hem weg en nam een andere, net zoals mannen dat mochten in hun land zeker als de vrouwen geen kinderen konden krijgen.
En dat alles bedacht ze toen ze thee maakte en inschonk voor Winter en zijn ouders.

Winter keek nog steeds schuins en lachte op een speciale manier, waar ze zenuwachtig van werd. Ze morste. Dat was geen reclame voor haar als schoondochter, want aanstaande echtgenotes mochten niet morsen natuurlijk. Maar het leek wel of Winter dat niet zag.
Na een moeilijk uurtje waarin niet veel werd gezegd, ging ze weer naar boven.
Even later kwam haar moeder boven en vertelde dat ze het eens waren geworden.
Zij paste heel goed bij Winter vonden beide ouders, dus de overeenkomst was beklonken. Ze zouden de maand daarop trouwen.

’s Avonds vertelde Esmeralda aan Lotje wat haar lot zou zijn en hoe over haar was beschikt. Lotje reageerde zoals Esmeralda gedacht had: Es, ga weg, ga nu weg, nu het nog kan! Ik kom je achterna als ik kans zie en dan hebben we elkaar daar in dat land.
Ik ken iemand die je kan helpen de oversteek te maken, want je moet met een boot naar de overkant. Ik zal niks zeggen op mijn erewoord! Als je weg bent en ze je missen zal ik niet zeggen waar je bent.

Je moet in de nacht vertrekken. Ik zal vragen of degene die ik ken en die wel meer meisjes naar de overkant brengt je kan halen op een onopvallende manier.
En zo kwam het dat Esmeralda die nooit iets had gedaan dat tegen de wensen en bevelen van haar ouders inging nu op een nacht, haar spullen bij elkaar pakte (dat was niet veel maar wel een paar poppen en wat lappen en een schetsboek) haar zusje kuste en uit haar raam stapte en in de nacht verdween met kloppend hart.

Tegenover hun huis stond op een donkere plek een auto geparkeerd. Daarin bleek de hulpverlener, een aardige jongen met een grote baard te zitten en nog twee meisjes achterin die ze niet kende. Haar moeder had haar nog wel gewaarschuwd voor vreemde mannen omdat die er wellicht op uit waren haar in een harem, een soort gevangenis met één man en veel vrouwen waar hij dan over kon beschikken, te stoppen, waar ze nooit meer uit zou kunnen komen. Maar zo zag deze jongen er niet uit. Hij was vriendelijk, ze stapte in bij de meisjes achterin en zo begon haar tocht naar het land van de meerdere levens.

Hoe is het nu Esmeralda vergaan daar in dat land?
Esmeralda bereikte de overkant. Later bleek dat veel meisjes die zo vertrokken uit het land van één leven hier en één hierna de overkant niet bereikten of zomaar verdwenen toen ze eenmaal in het land van de meerdere levens waren aangekomen.
Maar Esmeralda had geluk, ze ontmoette op haar tocht een aardige man die niets van haar wou maar alleen maar weg wou net als zij en ook vluchtte voor een bestemming die niet de zijne was. Hij hielp haar en wou toen wel met haar trouwen maar Esmeralda zei hem dat ze eerst wou kijken hoe ze zelf haar leven  kon leiden en of dat mogelijk was zo zonder man. Ze dacht aan haar zusje en miste haar vreselijk natuurlijk.

Ze stuurde haar ouders een brief maar die kwam ongeopend terug.
Toen ze 10 jaar in het land van de meerdere levens was besloot ze haar ouders een brief te schrijven over het land van de meerdere levens en haar ervaring daar.

Die brief luidde als volgt:

Lieve pap en mam,
Ik mis jullie en wat ik vooral mis is de bestemming die jullie en niet alleen jullie maar de meneer in de zwarte jurk voor mij in petto hadden.
Een bestemming die jullie zelf niet hadden bedacht maar een nog hogere meneer die in de hemel zat.
Dat alles leek zo simpel, zo eenvoudig, en ook zo saai.
Ik wilde meer, ik wilde het leven proeven, weten wat het is dit leven, ik was meer geïnteresseerd in dit leven dan in het leven hierna omdat ik me daar geen voorstelling van kon maken. Hoe kun je je hele leven eigenlijk opgeven voor het idee dat het na dit leven zo mooi zou kunnen zijn terwijl je daar helemaal geen bewijs van hebt? Integendeel. Dode mensen zien er helemaal niet uit of ze iets heel moois beleven.
Ik wou gewoon weten hoe het is om te kunnen kiezen, om je eigen leven vorm te geven als meisje en vrouw en je niet te laten bepalen door je bestemming of je man die je niet eens zelf hebt uitgekozen!
Dat is nu wat ik heb uitgevonden in dit land van de meerdere levens!
Ik heb niet alleen het land bereikt, ik heb heel veel bereikt, ik heb nu een andere naam: Esmée en een eigen blad, tijdschrift met die naam, ze noemen het een glossy. Ik doe de redactie, ik schrijf columns, stukjes, ik organiseer heel veel en ben inmiddels ook bekend bij een groot publiek.
Verder heb ik een lieve man gevonden die me bewondert, de afwas doet en me steunt in alles. Ik heb ook twee schatten van kinderen.
Meer vinden mijn man Joris en ik niet nodig.
We hebben het goed samen.

En nu komt het: ik verveel me zo!
Het gekke is dat ik denk dat als ik bij jullie was gebleven ik me ook zo had verveeld maar dan anders. Hier in het land van de meerdere levens moet je perfect zijn. Je hebt maar één leven en dus komt het erop aan om in dit ene leven alles te stoppen wat je in huis hebt.
Je moet genieten zo noemen ze dat, je moet er mooi uitzien vooral van buiten en omdat er geen verhullende kleding is zie je hier ieder vetbobbeltje, dus wordt men extra kritisch vooral op vrouwen gek genoeg, want mannen lopen hier vaak met dikke buiken. Seks is belangrijk zeggen ze, je moet een bevredigend seksleven hebben, je moet een goede moeder zijn, een goede partner, een goede vriendin, je moet regelmatig op vakantie dat wil zeggen dat je weg moet uit dit land naar landen waar ze veel minder levens hebben en niet weg kunnen. Want dan heb je verhalen als je terugkomt en dat vinden ze hier belangrijk.
Je moet het druk hebben en belangrijk zijn! Je moet zoveel hier in dit land van de meerdere levens, lieve ouders, en er zijn ook een heleboel mensen die dat niet meer aan kunnen, ze worden overspannen.
Ze hebben genoeg geld, ze hebben een mooi huis, leuke kinderen maar ze kunnen de spanning niet meer aan om voor alles in het leven verantwoordelijk te zijn.
Ze worden vaak ook gek, veel meisjes hebben eetproblemen omdat ze de verantwoordelijkheid en de perfectie niet aan kunnen.
Weet je, de mensen haten zichzelf hier in dit land, ze zijn allemaal bezig om machines uit te vinden die de mensen kunnen vervangen omdat ze niet meer in mensen geloven, omdat die zo imperfect en zo kwetsbaar zijn.
Ze zeggen allemaal nare dingen over mensen op dat grote scherm wat ze de hele dag aan hebben staan. Mensen zijn niet te vertrouwen, mensen doen hele erge dingen enzovoort enzovoort. Zo weinig positiefs terwijl dat er ook best is hoor!
Als ik naar mezelf kijk weet ik het soms niet meer. Dan kijk ik naar mijn kinderen, twee meisjes waar Joris heel erg van houdt en die hij graag een goede toekomst wil geven en dan denk ik: ja maar wat is je toekomst dan? Dat je ook overspannen raakt, dat je niet in jezelf gelooft of constant weg moet naar andere landen omdat je ontevreden bent, dat je steeds je verantwoordelijkheid wil ontvluchten omdat je die te zwaar vindt?
Want in dit land ben je alleen, je wordt pas echt gewaardeerd als je de ander niet nodig hebt, ook in de liefde. Ze noemen dat: de ander moet de slagroom op het toetje zijn, maar nooit, maar dan ook nooit, iemand van wie je afhankelijk bent. Je mag van niemand afhankelijk zijn, afhankelijkheid is eigenlijk een doodzonde!!

Lieve ouders,

Het gekke is, ik zou niet terug willen of liever ik zou niet meer terug kunnen. Ik ben zo vergroeid met dit land van de meerdere levens maar wat ik jullie wel wil zeggen is dat er een probleem is: iedereen is hier bang voor de dood, want die is zo definitief! Er is niks na, het is gewoon afgelopen. Na een leven waarin al die mensen zo druk zijn en altijd bezig, is het opeens stil geworden, ze kunnen niet meer sms-en en dus hebben ze geen verbinding meer, geen technische verbinding want alle verbinding hier is technische verbinding en die is opeens verbroken en dat vindt men erg beangstigend. Zelfs één dag zonder technische verbinding vindt men al doodeng. Ze zijn als de dood voor de dood, voor de stilte ook, ze verlangen ernaar, zoeken de stilte op maar kunnen er vervolgens niet tegen.

Bij ons was het vroeger stil, te stil, ik verlangde naar geluid, naar reuring. Bij ons vroeger stond de dood centraal, je leefde eigenlijk voor de dood, dus om dood te gaan en dan het eeuwige leven tegemoet te treden. Het enige waarvoor je bang was, was het laatste oordeel natuurlijk. Maar lieve ouders het eeuwige leven bestaat niet. Niemand kan zeggen dat hij eeuwig zal leven, wat een pretentie! Tegelijk is het zo belangrijk om het leven te accepteren zoals het is en komt.

Het leven is  uiteindelijk iets wat vloeiend is, wat is als eb en vloed en je hebt er maar heel beperkt invloed op. Dat heb ik gemerkt, dat heb ik uitgevonden hier!!

En dat is voor mij belangrijk en ook dat ik moet leren om dankbaar te zijn met wat er is, wat dichtbij is en niet ver af.

Dat is mijn levensles!

Lieve ouders, ik verlang zo naar jullie, kusjes heel veel voor Lot!!!

Dat was de brief van Esmeralda en natuurlijk hoorde ze daar niets meer op.

Maar voor haar was het wel heel belangrijk dat ze hem had geschreven, en Lot? Zij trouwde met een man die voor haar was uitgekozen in het land van het ene leven en Esmeralda hoorde dat ze zich had geschikt in haar lot.

De messias; sprookje van deze tijd

Er was eens in een dorp in een groot land een jongen, laten we hem Bas noemen, hij heette anders, een hele ingewikkelde naam zoiets als Mjoetsikrtsjko, maar omdat we dat in onze taal niet kunnen uitspreken, noemen we hem Bas.
Bas ging ’s zondags en soms ook door de week naar de kerk, dat wil zeggen een hoog gebouw dat geen woning was en ook geen kantoor en dat van binnen veel banken had waarop je kon zitten en dan keek je naar een voorstelling. Geen gewone voorstelling was dat, maar iets bijzonders, een meneer in een jurk met gouddraad, een hele dure jurk en als hij uit de kerk kwam had hij een bontmuts op zag Bas.

Dat kostte allemaal veel geld en dat moest natuurlijk opgebracht worden vertelde de moeder van Bas en daarom werkten de ouders van Bas heel hard. Zijn vader was timmerman en zijn moeder wasvrouw om dat geld op te brengen. Bas had al een paar keer gevraagd waarom zijn ouders dat geld moesten opbrengen, want ze hadden thuis maar amper te eten en leefden heel sober en waarom die meneer dan zo’n dure jurk aan had.
Als hij dat soort dingen vroeg kon zijn vader heel kwaad worden en zijn moeder zei dan alleen maar: “Bas je moet weten, als wij ons steentje bijdragen dan zal je zien dan komt ooit de Messias en die bevrijdt ons allemaal en dan is in die toekomende wereld iedereen gelukkig”.

Bas was een slim jongetje en hoorde van zijn buurjongen dat de Messias al gekomen was en iedereen al bevrijd had van zijn zonden (dat waren verkeerde gedachten en verkeerde dingen die je deed), door heel veel bloed te geven. Door veel bloed te geven kon je dus Messias worden dacht Bas en deelde op een keer die kennis met zijn moeder.
Die schrok zich een hoedje en verbood Bas nog langer met de buren om te gaan. Omgekeerd begrepen de buren dat de ouders van Bas nog op de Messias zaten te wachten, terwijl zij zeker wisten dat hij al gekomen was, ook al voelden ze zich als je het hen zou vragen op de man af, helemaal niet bevrijd integendeel, maar dat zouden ze niet graag toegeven al helemaal niet aan Bas en zijn familie.

Eén ding had Bas in elk geval al vroeg door, Messias zijn of worden, dàt was iets bijzonders, daar hielp je andere mensen mee en Bas was behalve een slimme ook een lieve jongen, die graag anderen hielp zoals zijn gehandicapte zusje als ze weer eens werd uitgescholden op straat of moest worden geholpen met naar de wc gaan of zich aankleden.
Dus als mensen aan Bas vroegen: “Wat wil jij worden,” dan zei hij: “Messias,” het klonk interessant en uitnodigend en het was een mooie roeping, zo noemde je dat.
Maar hij zorgde er wel voor dat zijn vader de timmerman het niet hoorde want die had nog wel eens losse handjes en zou hem in elkaar timmeren als hij dat zei, want Messias werd je niet zomaar, daar moest je voor worden aangewezen door onze lieve heer. Bas begreep niet waarom de grote mensen spraken over een lieve heer want wat de buurjongen had verteld had grote indruk gemaakt en dat de lieve heer iemand zou aanwijzen om heel veel bloed te geven en dus ook dood te gaan was toch eigenlijk helemaal niet zo lief. En waarom je zoveel bloed moest geven om te zorgen dat mensen zo gelukkig werden begreep hij ook al helemaal niet.

Bas had zijn eigen fantasieën over de Messias. Als je messias werd dan werd je iets heel speciaals, dan mocht je wonderen verrichten en dan vertelde je een heleboel verhalen, sprookjes, aan mensen en die luisterden dan naar je met open mond. Ze geloofden je verhalen en hingen aan je lippen. En omdat ze geloofden wat je allemaal zei over een mooie toekomende wereld die mensen toe zou komen, werden mensen ook gelukkig. Nou dat zag Bas wel zitten. Hij had veel fantasie, hij liep de hele dag met verhalen in zijn hoofd rond en vertelde ze vaak aan zijn gehandicapte zusje en dan lachte ze en dan leek ze in elk geval gelukkig.

“Mam,” zei hij op een dag, “als ik nou messias word hoef jij dan niet meer te werken?” Zijn moeder die doodmoe was van weer een volle wasdag keek hem verbaasd aan: “Hoezo jongen,” zei ze een beetje geïrriteerd want ook zijn moeder kon, hoewel niet vaak, wel eens van vermoeidheid geïrriteerd zijn.
“Nou,” zei Bas, “je moet werken ook om die jurk en die bontmuts van de meneer in de kerk te betalen en ik hoef als messias geen gouden jurk of dure bontmuts hoor, dus voor mij hoef je niet zoveel geld te betalen”. Toen hij dat zei was zijn moeder heel ontroerd en gaf hem een kus en zei dat hij een lieve jongen was maar dat hij voorlopig helaas nog geen messias was.

“Maar hoe weet je dan of je het bent?” drong Bas aan, “want ik wil het wel heel graag hoor!” “Lieve schat,” zei zijn moeder, “er zijn er heel wat geweest die zeiden dan ze het waren maar dat waren allemaal nep-messiassen, een echte die herken je meteen”.

Bas nam er geen genoegen mee, “Maar waaraan herken je hem dan,” vroeg hij. Toen kwam zijn vader het vertrek binnen en was het gesprek verder onmogelijk geworden. Zijn moeder haastte zich naar de keuken om een maaltijd te bereiden, terwijl zijn vader hem ondervroeg over hoe het op school was gegaan. Want zijn vader wilde graag dat hij door zou leren en niet zoals hij timmerman worden en zou moeten sappelen, zo noemde hij dat.
Zijn vader had een grootse toekomst voor zijn slimme zoon voor ogen. Hij zou door moeten leren en misschien wel president van het land kunnen worden.

Bas had hem wel gevraagd of dat nou zoiets was als messias, maar zijn vader had alleen zijn wenkbrauwen opgetrokken en zijn zoon heel vreemd aangekeken. “Hoe kom je daar nu weer bij?” had hij gezegd. “Nou,” had Bas er nog aan toe durven voegen: “een president wordt toch ook aangewezen”. “Ja,” had zijn vader geantwoord, “maar niet door God maar door het volk”. Toen had Bas zijn mond maar gehouden maar zijn denken hield niet op. Hoezo door het volk, als het volk een messias herkent als messias en  van iemand een echte messias maakt is het volk toch ook God? En wie of wat is God eigenlijk als hij in elk geval geen lieve heer is?

Met al deze vragen bleef Bas wel zitten en hij merkte dat hij tegenover andere kinderen ook niet over zijn toekomstdromen moest praten.
Hij werd er al gauw mee gepest. Zo had een nare en door zijn lichaamslengte en gewicht gevaarlijke jongen uit zijn klas, hem opeens een keer toen ze in een groepje stonden apart genomen en duidelijk hoorbaar voor de anderen gevraagd: “En Bas wat wou jij worden later?” en toen Bas wat timide had gefluisterd: “Messias,” had de zware, want zo werd de ander vol ontzag genoemd gevraagd aan Bas om dat even te herhalen maar dan luid en duidelijk voor de groep en toen Bas weer vrij onverstaanbaar messias had gemompeld had hij zijn eerste flinke klap te pakken. “Wat?” zei de zware, “ik hoor je niet,” en zo was dat een tijdje doorgegaan, bloed stroomde uit Bas zijn neus, toen eindelijk de meester van zijn klas verscheen die op het lawaai was afgekomen en vroeg wat er aan de hand was toen hij Bas met een bloedende neus zag en een oog wat dik was en al bezig was blauw te worden.

“Ik ben gevallen, meester,” zei Bas en de groep leerlingen bevestigde dat, want iedereen was bang voor de zware en Bas dacht: dit moet ik er dus voor over hebben om Messias te worden en nu heb ik eindelijk al een beginnetje gemaakt want ik heb pijn en bloed verloren!
En toen de lessen waren afgelopen vroeg hij aan zijn beste vriend die ook niets had gedaan toen Bas in elkaar werd geslagen: “Marc,” we noemen hem even Marc maar hij had ook een heel ingewikkelde naam: “ben jij nu gelukkiger geworden?”
Marc keek hem niet begrijpend aan: “Hoezo?” “Nou,” zei Bas, “ik heb pijn en bloed verloren en dat betekent dat jij dus gelukkiger bent geworden, mijn bloed veegt jouw zonden weg, toch?” sprak Bas hoogdravend want hij wist niet wat het betekende maar dat had de buurjongen gezegd. Marc keek Bas onderzoekend aan. “Volgens mij ben je door die tik niet helemaal goed meer bij je hoofd Bas,” zei Marc. “Weet je wat ik echt heb gevoeld toen de zware je zo te pakken nam? Ik voelde me schuldig dat ik zo keek en niks deed, ik vond het eigenlijk heel erg en vond mezelf stom en klein en jouw vriendschap niet waard”.

“Maar en dat moet ik toegeven,” zei Marc, “er waren jongens bij die het wel mooi vonden dat de zware jou te grazen nam, die zijn jaloers op je, ze vinden dat je met je hoofd in de wolken loopt , ze kunnen er niet tegen dat je slimmer bent dan zij en vinden het wel mooi als je te pakken wordt genomen, daar genieten ze van. Maar of ze nou echt gelukkiger daarvan worden en minder slecht dat geloof ik niet, integendeel”.

Thuisgekomen, had Bas veel om over na te denken. Er waren dus mensen die jaloers op hem waren, hem zijn messianisme niet gunden, er waren mensen die zich schuldig voelden en klein als ze zagen dat hij bloed gaf zonder dat ze daar iets aan konden doen, maar waar was het toverstafje dat van de wereld opeens een paradijs maakte omdat hij zich opofferde en leed.
En hoe zat het met zijn verhalen, wie vond die mooi? Wie maakte hij daarmee gelukkig? Alleen zijn gehandicapte zusje, maar daar hoefde hij geen messias voor te worden, zijn ouders hadden geen tijd om hem aan te horen, zij moesten veel te hard werken om de jurk van die meneer in de kerk te betalen en zijn klasgenoten vonden ze maar gek of werden jaloers op hem.

Nee, Bas was geconfronteerd met de rauwe praktijk van het leven, hij had bloed gegeven maar zag dat het niks opleverde, mensen leken wel leeuwen, eenmaal bloed ruikend wilden ze meer. Hij moest nu heel erg oppassen voor de zware, die hem als vast slachtoffer had aangewezen. Was de zware misschien God?

Bas zag af van zijn toekomstdroom, maar ook de droom van zijn vader kon en wou hij niet vervullen, hij bedacht dat president worden teveel leek op messias worden en als hij daarvan afzag, zag hij ook van het president worden af. Bas bedacht dat hij net als zijn vader timmerman wou worden, dan kon hij in het dorp blijven wonen en zijn zusje verhalen blijven vertellen, want tenslotte was zij misschien wel God en volk tegelijk.

Er was eens een volk; sprookje van deze tijd

Er was eens een volk, een volk van het boek. Het boek was heilig voor hen. Ze lazen erin, dag in dag uit. Ze geloofden in de woorden uit het heilige boek en wogen de woorden iedere dag op een goudschaaltje. Die woorden vertelden hen hoe ze moesten leven, hoe ze met zichzelf en anderen om moesten gaan. Ze waren hun houvast.
Ze noemden ze wetten en recht, hun recht.
Recht was wat niet krom was, recht en wetten waren hen gegeven van hogerhand. Dat kwam zo: ze waren letterlijk op hen neergedaald, toen ze een hele tijd in de woestijn zwierven nadat ze zich uit de onderdrukking hadden bevrijd en hun koers kwijt waren, niet meer wisten welke kant ze op moesten en hoe ze nu hun leven aan moesten pakken.

Een volk is pas echt vrij zo werd hen duidelijk gemaakt, als ze zichzelf wetten oplegt en zich aan het recht houdt, en het recht is eigenlijk hetzelfde als het woord. Een volk maar ook een mens die woord houdt is te vertrouwen immers en vertrouwen is de basis van  alles in deze wereld werd hen geleerd, van welzijn en geluk, van voorspoed, van liefde.
Zo werd hen ook duidelijk dat woord houden en je aan wetten houden betekende dat je de ander behandelde als jezelf, je wilde immers ook graag van een ander dat hij zich tegenover jou aan zijn woord hield en zich aan de wetten hield.
En zo noemden ze zich het uitverkoren volk, omdat ze dat inzicht hadden gekregen daar midden in die leegte, in een tijd waarin ze de weg kwijt waren.

En dat inzicht, die belofte om woord te houden maakte van hen iets bijzonders, zo ervoeren ze dat. En die belofte brachten ze over op hun nageslacht. Ze zouden, dachten ze, daarmee een licht in de wereld kunnen zijn. En daarom hielden velen van hen zich later bezig met woorden en wetten en de interpretatie daarvan.
Maar als er één ding is dat mensen moeilijk vinden is het om woord te houden, om zich naar wetten te schikken die ooit zijn vastgelegd maar die de mensen niet uitkomen op een bepaald moment. En daar begon het te wringen.

Mensen zijn opportunisten dat wil zeggen dat ze liever gebruikmaken van wat hen op een bepaald moment het beste uitkomt en dan zijn principes en wetten een sta in de weg. Dat gold ook voor de mensen van dat volk. Ze dachten bv: waarom moeten wij ons aan de wetten houden en aan het woord? Dat geeft ons een achterstand ten opzichte van anderen die dat niet doen en liegen en bedriegen en gebruikmaken van ons of ons bedreigen en vervolgen omdat wij door onze principes kwetsbaar zijn en bovendien de pretentie hebben een voorbeeld te zijn. Wat een belabberde combinatie, dachten die mensen.

Overal waar het volk kwam kregen ze het moeilijk. Soms werden ze juist binnengehaald omdat hun manier van leven welzijn met zich meebracht, want vertrouwen is een basisprincipe om te kunnen onderhandelen en onderhandelen is weer de basis van handel zoals het woord al zegt, maar dan werden ze later weer vervolgd omdat ze jaloezie opwekten met hun principes en levensstijl. Of ze werden afgescheiden en opgesloten, ommuurd zodat het leek of ze weer in hun oorspronkelijke onderdrukte staat terechtkwamen. Maar juist toen het volk ondanks dat alles na vele eeuwen van vestigen, vervolging en verhuizing zijn hoogtepunt van invloed op andere volkeren bereikte en overal wetten en recht kwamen en het woord eerst gedrukt en later steeds meer serieus werd genomen, juist toen kreeg het woord en het recht een andere betekenis.

Juist omdat mensen opportunisten zijn gingen ze gebruikmaken van het woord om zelf macht te verwerven. Woorden werden uit hun context gerukt, kregen een andere valse klank, werden misbruikt om juist mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van dat ze vertrouwen kweekten tussen mensen onderling.En recht werd het recht van de sterkste. Er kwam wantrouwen in de wereld, georganiseerd wantrouwen en ook het recht en de wetten werden misbruikt voor de eigen doeleinden van de machthebbers.

In de eerste plaats werd het volk daar zelf slachtoffer van. Zij die het woord en de wetten hadden uitgevonden kregen ze nu tegen zich. Het werd vogelvrij verklaard dat wil zeggen dat de mensen van dat volk niet zo vrij als vogels werden maar dat iedereen op ze mocht schieten, ze gevangen mocht nemen  en afvoeren en alles doen wat God, hun God maar ook die van anderen verboden had.
Het werd een plicht hen aan te geven en een misdaad om hen te helpen, want het woord en het recht waarvoor ze stonden moest worden vernietigd, zelfs de herinnering eraan.
En zo kwam het dat het woord als belofte, het recht als gouden regel: je behandelt een ander zoals je zelf wilt worden behandeld, de wetten als continue factor, stierven maar niet meteen.

Eerst het volk zelf waarvan niet veel overbleef. En toen was er opeens het besef na alles wat er was gebeurd, dat dat zo niet meer kon. En de mensen en volkeren maakten prachtige regels en mooie woorden en hele mooie beloften naar elkaar: dit zou nooit meer mogen gebeuren, geen mens mocht ooit nog vogelvrij zijn, een opgejaagd dier.
En degenen die over waren van het volk stichtten een eigen staat in een bestaand land, waar ze dachten dat ze veilig zouden zijn.
Want ze wilden veilig zijn, ze wilden wat zoveel mensen willen: kunnen leven in vrijheid, zonder bedreigd en vervolgd te worden, kinderen kunnen krijgen, een bestaan kunnen opbouwen. En ze waren vergeten dat ze een volk van het woord en van het recht waren. Ze waren met al die lichamen door de schoorstenen van de ovens ten hemel gestegen.
Een aantal probeerde ze nog te vangen, ze deden vertwijfeld hun best maar die krampachtige pogingen waren te verbeten. Ze misten de wijsheid van hen die hen ooit waren voorgegaan maar nu het leven hadden gelaten juist omdat ze waren die ze waren. Alleen een paar enkelingen wisten nog te inspireren.

De wetten, het recht, begon in dienst van veiligheid te staan, veiligheid van een staat, hun staat van zijn. En zoals het volk vroeger een gidsfunctie had in het de weg wijzen naar het heilige woord en het recht en daarmee het onderling vertrouwen, werd het volk nu een gids naar de weg van de veiligheid van een staat en het onderlinge wantrouwen. Het bouwde muren om zichzelf te beschermen tegen degenen die al in dat land woonden en plaats hadden moeten maken voor het volk dat zo op zoek was naar veiligheid. En bewapende zich en bouwde checkpoints en technische informatiesystemen, waardoor ze controle konden uitoefenen op al diegenen die hen bedreigden in en om dat land.

En het woord dat ooit een belofte inhield waaraan ze zich wilden houden, werd nu geheime informatie over de ander tegen wie ze zich wilden beschermen. Want nooit wilden ze meer slachtoffer zijn, schapen die naar een slachtbank waren geleid, zo heette dat en zo werden ze ook door de anderen genoemd, maar nu vonden ze dat zelf ook en dat werd hun credo, hun geloof.

En al diegenen die in dat land kwamen wonen en nog deden denken aan het volk van het woord en de belofte werden als zwakkelingen gezien en men keerde zich van hen af, schaamden zich voor hen. Al diegenen die waren vermoord, waren zwak geweest, hadden zichzelf te kwetsbaar gemaakt met hun principes. Dat zou hen niet meer overkomen. Ze noemden dat realiteitszin.

En die realiteitszin, het zien van de ander als potentiële dreiging en gevaar, dat werd de nieuwe realiteitszin. En de wetten en het recht werden naar de hand gezet, er werd met twee maten gemeten, eigen volk eerst en de ander die als dreiging werd gezien kon wel rechteloos zijn. En zo werd uiteindelijk de ander, de anderen behandeld zoals het volk zelf was behandeld toen het woord werd misbruikt en de wetten verkracht. En het volk heeft in deze nieuwe realiteitszin weer een gidsfunctie. Het woord is allang geen woord meer maar geheime informatie over de ander en het recht is allang geen recht meer maar bescherming van de staat tegen de anderen die een bedreiging zouden vormen maar inmiddels ook tegen de eigen burgers, en de staten zijn lege hulzen geworden, geschraagd door geheime diensten die niemand een dienst meer bewijzen.

En nu is de wereld in verwarring, niemand weet de weg meer, het landschap verdort en wordt weer woestijn. En misschien moeten we met zijn allen weer heel lang dwalen voor we opnieuw een weg gevonden hebben of voor we opnieuw een verhelderend inzicht krijgen aangereikt.

Doe-land en Verweggistan; sprookje van deze tijd

Er waren eens twee landen: Doe-land en Verweggistan

In Doe-land hadden de mensen twee rechterhanden en als ze met elkaar praatten over wat ze deden dan zeiden ze altijd: “gewoon”. Voor hen was de meest gebruikte uitdrukking : “dat doe je gewoon” of “dat doe je gewoon voor elkaar”.
Natuurlijk en vanzelfsprekend, waren stopwoorden.
“Heb je die keuken zelf aangelegd?” “Natuurlijk.” “Heb je je huis zelf gebouwd?” “Vanzelfsprekend.” “Heb je die rommel allemaal zelf opgeruimd?” “Natuurlijk.” Enzovoort enzovoort. De doe-landers vonden dat soort dingen eigenlijk zo gewoon dat ze er geen woorden meer aan vuil maakten. Mensen die teveel praatten over wat ze allemaal deden vonden ze al gauw overdreven. Dan zeiden ze al gauw: “Je lijkt wel van Verweggistan”.

In Verweggistan hadden de mensen twee linkerhanden. Ze liepen altijd met hun hoofd in de wolken, spraken zoveel mogelijk in raadsels. Ze vroegen als je ze aansprak altijd: “Raad eens wat ik bedacht heb?” Ze hadden het over ‘concepten’. Ze concipieerden met elkaar. Vandaar ook dat ze moeilijk kinderen konden krijgen. Dat was echt een serieus probleem daar in Verweggistan. Een ander probleem  waar ze tegenop liepen, was dat ze overal tegenop liepen, omdat ze niks zagen, zo met hun hoofd in de wolken.
Eigenlijk wilden ze vliegen, daar in Verweggistan. Ze keken neer op hun handen en liepen altijd op hun tenen in de hoop vleugels te krijgen, maar helaas ze kwamen niet echt van de grond.
De mensen uit Doe-land vonden de mensen uit Verweggistan zweverig en arrogant en de mensen uit Verweggistan vonden die uit Doe-land weer gewoontjes, veel te gewoontjes, een beetje dom eigenlijk.
De doe-landers hadden net zo goed viervoeters kunnen zijn, vonden ze in Verweggistan, want dieren bouwen ook nestjes en paren en maken geluid en zoeken voedsel.
Doe-land en Verweggistan lagen naast elkaar maar Doe-land leek dichtbij en Verweggistan leek altijd heel ver weg.

Nu was er eens een doe-lander die naar Verweggistan ging om een Verweggistanner om raad te vragen en dat was heel bijzonder want doe-landers vonden dat soort dingen eigenlijk overbodig. Bovendien zagen ze Verweggistan als heel ver weg zoals gezegd en de inwoners van dat land al helemaal niet als geschikt om raad te vragen. Ze waren toch nooit te bereiken en als ze ze toch vonden dan zaten ze met hun hoofd in de wolken en hun handen aan de knoppen van een apparaat dat voor hen van alles moest doen omdat ze zelf nu eenmaal niets wilden doen.
Maar nu werd er toch een keer een uitzondering gemaakt.
De moedige doe-lander ging naar Verweggistan en eenmaal daar zocht hij een Verweggistanner op achter een apparaat en riep: “Hallo, ik kom je om raad vragen!”
De Verweggistanner, als die de ander al hoorde, liet de doe-lander eerst heel lang wachten, want hij keek natuurlijk op hem neer en toen zei hij: “Hoe ben je de grens eigenlijk overgestoken?” Want de Verweggistanner wilde zelf wel vliegen maar hield er niet van als doe-landers grenzen overschreden. Zoiets, vonden ze in Verweggistan, was alleen voor henzelf weggelegd.
De doe-lander zei: “Goh, ik heb geen grens gezien, ik zag alleen maar land, maar wat me wel opviel, was dat ik opeens zoveel mensen zag met hun hoofd in de wolken, die me niet zagen of wilden zien”.
“Verdorie,” zei de Verweggistanner, “de grenswachten hadden hun hoofd er weer eens niet bij. Wat moet je, trouwens? Ik ben bezig, dat zei ik toch. Kom zo dadelijk maar terug”.
“Dat doe ik niet,”  sprak de doe-lander, “want ik ben er nu en ik leef op dit moment. Ik vraag je: hoe komen jullie toch zo met je hoofd in de wolken? Daar kan ik maar niet bij. Waar leven jullie nou toch van? Toch niet van de wind?”
“Nou,” zei de Verweggistanner, “ik heb eigenlijk geen zin om met jou te praten dat is zonde van mijn tijd, we hebben het namelijk altijd erg druk, maar goed, oké, nou we het er toch over hebben, we leven niet van de wind, maar wel van lucht, dat wel. Er zit bij ons overal lucht in, in onze begrotingen, onze economie (we halen veel uit een gasbel), onze beleggingen, ons bezit, 99 procent van ons huizenbezit is eigenlijk lucht, we wonen en leven dus eigenlijk in een bel”.
“Tjonge,” zei de doe-lander, “bellen blazen wij altijd weg, bij ons gaan zeepbellen altijd kapot”.
“Bij ons ook wel,” zei de Verweggistanner, “maar we streven er toch naar ze in de lucht te houden. We houden zoveel mogelijk bellen maar ook wel ballen in de lucht hier”.
Het ontzag van de doe-lander steeg met de minuut. “Hoe doe je  dat dan? Zijn jullie allemaal evenwichtskunstenaars, goochelaars?”.
“Nou je het zegt,” zei de Verweggistanner, “er komt een hoop magie bij kijken. Volwassenen lezen hier allemaal Harry Potter. Eigenlijk geloven we hier in alles wat bovenaards is als het maar boven aards is. Want we vertrouwen de grond waarop we staan niet erg. Je weet maar nooit, één struikel-partij en je ligt voor altijd. Idee, innovatie, ingewikkeld, i.q., ik, we houden hier erg van de i. De i wijst naar boven naar een punt in de lucht”.
“Goh,” zei de doe-lander, “wat grappig, wij zetten ergens juist vaak een punt achter, als we vinden dat het genoeg is . Als we vinden dat we genoeg hebben, genoeg voedsel, genoeg te drinken, genoeg sex, genoeg slaap, dan zetten we er een punt achter”.

De Verweggistanner begon ongeduldig te worden. “Hoor eens, doe-lander, je hebt nu al aardig wat beslag op mijn kostbare tijd gelegd, je bent illegaal onze grens overgestoken en nu zit je ook nog commentaar te leveren op onze voortreffelijke wetenschappelijk en technologisch onderbouwde, efficiënte levensstijl, dus kom nu maar snel met je vraag, want je wou me toch om raad vragen? Willen jullie eindelijk eens iets van ons leren? Hoe je je als mens kunt verheffen uit het keurslijf van de natuur en je eigen primitieve behoeften en instincten? Hoe je uit kunt stijgen boven dit aardse bestaan, het naar je hand kunt zetten door in te grijpen in de meest wezenlijke natuurlijke processen als geboorte en dood, voortplanting, de eigen genen zodat niets meer gevreesd hoeft te worden, de natuur niet, maar ook God niet, je bent immers zelf God geworden”.

“En elkaar?” zei de doe-lander, “vrezen jullie elkaar niet?”.
“Hoezo, elkaar, wat zouden we van elkaar te vrezen moeten hebben?”
“Nou, gewoon,” de doe-lander kon het even niet laten, “als je steeds met je hoofd in de wolken loopt en van lucht leeft, zie je elkaar niet meer, daar komen brokken van lijkt me. Op zijn minst botsingen. Maar wat me misschien nog belangrijker lijkt, wat vinden jullie kinderen daar eigenlijk van?”.

Even stond de Verweggistanner met de mond vol tanden en dat was heel uitzonderlijk voor een Verweggistanner. Hier werd het pijnlijk, zo besefte hij.
In Verweggistan werden immers heel weinig kinderen geboren. Ze kweekten er reageerbuisbaby’s en waren daar erg trots op, maar er was iets vreemds aan die baby’s .
Ze reageerden niet. Als je ze wou vasthouden, aanraken, voeren, reageerden ze niet, ze keken een andere kant uit. Ze huilden niet, maar lachten ook niet, ze waren afwezig.
En voorzover ze nog wel natuurlijke kinderen hadden, waren die juist weer overgevoelig.
Althans dat vonden ze daar in Verweggistan. Ze konden niet stilzitten, huilden aan één stuk door, verveelden zich altijd meteen en werden heel snel agressief bij de minste prikkel van buitenaf.
Adhd-kinderen werden ze genoemd. en ze werden aan uitgebreide onderzoeken en medicaties onderworpen maar leken daardoor alleen nog maar nog prikkelbaarder te worden.
De Verweggistanner negeerde de vraag dus maar en haalde zijn wenkbrauwen op.
“Je vraagt om raad?” zei hij alleen maar.
“Mijn vraag om raad gaat namelijk over het volgende,” zei de doe-lander, “onze kinderen hebben twee rechterhanden, ze kunnen veel, ze doen ook wel veel, we houden van ze, en toch hunkeren ze maar steeds naar Verweggistan. We worden er voortdurend over lastiggevallen: pap, mam, wanneer gaan we nu eens naar Verweggistan?
Ze vinden jullie land een soort sprookjesland, alles moet er mooier, interessanter, spannender zijn dan bij ons, ze vinden ons, hun ouders, hun land, zo gewoontjes omdat alles er ook zo gewoon is. Natuurlijk wij hebben ook onze problemen, maar die zijn er dan om aan te pakken en als we er niets aan blijken te kunnen doen, dan zijn ze dus gewoon en moeten we ze accepteren. Nu is mijn vraag om raad de volgende: Denk je onze situatie eens in. Wat zou jij onze kinderen adviseren? Om naar jullie land toe te gaan? En daar met eigen ogen te zien hoe al die hoogdravendheid er alleen toe leidt dat jullie volwassenen wegzweven op luchtbellen, geloven in magie van het soort Harry Potter, en alleen nog kinderen hebben die niet meer of juist teveel reageren? Maar om dat te zien en te ervaren moet je de grens, die fictieve grens die jullie hebben gemaakt over, en als ze die oversteken zijn ze illegaal en worden ze opgepakt en vastgezet of het land uitgezet want jullie laten je niet benaderen, dus blijven jullie een ideaal en blijven wij lastig gevallen worden met een ideaalbeeld dat doorgeprikt zou kunnen worden als jullie je grenzen zouden openstellen maar als jullie dat echt zouden doen, zou er iets fundamenteel veranderen en zou Verweggistan Verweggistan niet meer zijn. Beste Verweggistanner, hoe los ik dit probleem toch op?”

Maar zijn gesprekspartner was er al niet meer. Het leek wel of hij was opgelost in de zeepbellen die overal in het vertrek ronddansten, zo zag de doe-lander nu.
Wel voelde hij dat hij door twee paar sterke handen werd opgetild en toen hij in de gezichten keek die daarbij hoorden zag hij doe-landers. Maar deze doe-landers keken langs hem heen, ze zagen hem niet meer, ze waren eens opgepakt en nu instrumenten geworden ten behoeve van Verweggistan.

Ze tilden hem op en droegen hem tot over de grens en daar bleven ze staan als wachters, onbewogen grenswachters tussen Doe-land en Verweggistan.

Gemak dient de mens; sprookje van deze tijd

Gemak dient de mens

Er was eens een land, waarvan de inwoners elkaar steevast groetten met de uitdrukking: ‘Gemak dient de mens’. Ze zeiden dat ook vaak zomaar als stoplap als ze niks anders meer wisten te zeggen of als ze afscheid namen.
Ze hadden maar één partij op wie ze stemden en die partij had maar één motto en dat was: Gemak dient de mens!

Dus eigenlijk hoefden ze helemaal niet te stemmen wat misschien nog wel makkelijker was, maar de meerderheid vond toch dat stemmen belangrijk was, want als je stemde had je het gevoel dat alles eerlijk verliep volgens de wensen van het volk, en dat was een stuk makkelijker dan niet stemmen en ontevreden worden en allerlei ongeregeldheden te krijgen.
In dat land deed niemand de afwas, daar had je een apparaat voor, niemand fietste of wandelde meer want je had toch een auto waarmee je je kon verplaatsen en die auto hoefde je ook niet te besturen want dat ging allemaal automatisch.
Brieven werden niet meer geschreven of verstuurd, dat was allemaal te veel werk.
Je richtte je ogen op een scherm dat dan je gedachten las en dat dan digitaal doorzond aan de betrokkene.
Soms moest je dan nog wel even wat corrigeren want per ongeluk dacht je soms onaardige dingen waarvan je niet wou dat de ander ze doorkreeg.
Kinderen konden nooit meer zoekraken want ze hadden een geïmplanteerde chip, wat heel makkelijk was.
Alles en iedereen was ook digitaal op elkaar aangesloten, zodat als je met iemand te maken kreeg je meteen wist wat voor vlees je in de kuip had.
Je kreeg nooit meer algemene informatie te zien maar alleen de informatie die bij jou paste en die jou interesseerde.

Zo kreeg een man die van lekker eten hield allerlei lekkere recepten te zien die dan speciaal waren afgestemd op zijn voorkeur. Iemand die van voetballen hield kreeg  precies te zien wanneer de club van zijn voorkeur speelde.
‘Je had nergens omkijken naar,’ zo noemden ze dat in dat land.
Je hoefde dus niet meer om te kijken of de verwarming wel hoog of laag stond, want die stond altijd op de door jou gewenste stand. Dat was allemaal ook gedigitaliseerd en afgestemd.
De digitale agenda was afgestemd op de verwarming zodat de verwarming laag ging als je ’s avonds weg moest. Maar als er meer mensen in één huis woonden kon dat wel eens moeilijker worden natuurlijk. Dan moesten de agenda’s wel even op elkaar worden afgestemd, anders ging de verwarming bv uit terwijl er toch iemand thuis was.
Dat vond men in dit land al een heel probleem waar een oplossing voor gevonden moest worden..
Alles ging elektrisch in dat land of eigenlijk digitaal, maar digitaal betekende ook elektrisch want al die apparaten en hun batterijen moesten opgeladen worden.

Dat vond men eigenlijk nog het lastigst in dat land.
Want het kon betekenen dat er opeens iets het niet deed omdat het niet was opgeladen, bv een auto of een draagbaar scherm, waarvan er erg veel soorten waren en dan wist je opeens niet meer hoe het verder moest, met wie je had afgesproken of met wie je contact moest opnemen of waar je moest zijn en welke route je moest nemen of waar je kinderen uithingen.
Het was dus heel belangrijk in dat land dat je altijd opgeladen was, zo heette dat.
En natuurlijk bedoelde men niet dat je zelf opgeladen was, want dat vond men daar erg hinderlijk. Opgeladen mensen moesten hun energie kwijt die moesten ontladen natuurlijk bv door middel van seks, maar dat was erg ouderwets, daar had je een ander voor nodig en dan werd je veel te afhankelijk, kon ook gewoon heel makkelijk door middel van een ontlader die iedereen bij zich had.
Dan ontlaadde je even en daarvan hoefde eigenlijk niemand iets te merken.
Maar belangrijker was dat jijzelf of liever de apparaten om je heen en ook in jezelf want steeds meer mensen liepen met apparaten in zichzelf bv een pacemaker, een hormoonregelaar, een bloeddrukregelaar, een vocht- en temperatuurregelaar en een emotie-regelaar, opgeladen waren.
Terwijl het volk er altijd van uitging dat gemak de mens diende en dus dat alles opgeladen moest zijn zodat ze volledig onafhankelijk waren hadden ze toch een ding over het hoofd gezien want waar moest al die energie vandaan komen???
Daar braken heel wat geleerden zich het hoofd over.
Tot tenslotte een jongen van 16 jaar iets heel slims zei. Hij zei: waarom doen we het niet zo dat alle lading die we aan energie als mens bij ons hebben wordt overgeladen naar apparaten, dat is toch veel makkelijker???
Die energie die wij hebben kunnen we eigenlijk toch niet echt kwijt.
Waar zouden we nog die energie in kwijt kunnen?
Kinderen kunnen niet buiten spelen want daar is veel verkeer, veel te gevaarlijk. Als ze veel energie hebben zijn ze vaak lastig in de klas of thuis, breken dingen, zijn te wild, helemaal niet makkelijk.We geven ze pillen om rustig te worden.
Maar ook volwassenen, die veel energie hebben moeten dat kwijt, ze gaan zich met van alles bemoeien bv hoe het met anderen gaat, wat voor regels er gelden, of ze gaan zich te buiten aan van alles en nog wat.
Zelfs al die topsporters raken helemaal gek van de prestaties die ze moeten leveren , gaan aan de dope of worden overspannen, nee het is veel makkelijker juist ook bij sporters om hun energie af te tappen en over te laden in onze apparaten zoals robots, want robots kunnen immers ook aan sport doen en hun prestaties zijn juist omdat het machines zijn veel beter dan die van ons.

‘Laten we als mensen al onze energie gewoon letterlijk steken in en overgeven aan robots, die voor ons het leven veel makkelijker maken!’ zei de jongeman die Wolf heette. Hij kreeg een grote aanmoedigingsprijs en men vond wat hij zei het ei van Columbus!
Dus vanaf dat moment kregen alle mensen een apparaatje waarmee ze hun eigen energie konden aftappen en gebruiken voor hun apparaten.
Dat ging een hele tijd goed. Iedereen tevreden, niemand meer afhankelijk.
Tot dat er een periode kwam dat de mensen van dat volk geen energie meer hadden.
Ze werden aangemoedigd om heel gezond te leven zodat ze veel energie hadden om af te tappen, ze mochten niet dik meer zijn of te veel eten of drinken, suiker en zout was verboden verklaard en kon je niet meer krijgen, terwijl suiker toch ook een bron van energie was.
Maar niets hielp, het volk werd slap en moe en kon zich nauwelijks nog voortbewegen. Geen mens was ook meer echt geïnteresseerd om energie af te tappen voor apparaten want hen interesseerde die apparaten niet meer. Waarom ook? Waar zou je je eigenlijk druk over maken? Je ging uiteindelijk toch wel dood.
Sommigen probeerden nog iets tegen de dood te vinden zodat je dan het eeuwige leven had maar de meesten vonden dat inmiddels geen wenkend perspectief meer.
Juist omdat ze zo moe waren hadden ze nergens meer zin in, ook niet meer in leven.
Er sprongen er steeds meer van de daken, vermagerden zienderogen, wilden niet meer eten en drinken en verwaarloosden zichzelf.
Zo ging het niet meer, vond de president van dat land die altijd verdedigd had dat gemak de mens diende, maar nu wel met de gebakken peren zat.
Hij ging op bezoek bij Wolf, die inmiddels 21 was.
‘Wolf,’ zei hij, ‘kun jij er alsjeblieft iets op vinden want zo gaan ze allemaal dood en hebben we dadelijk helemaal geen mensen maar erger nog geen apparaten meer!’. ‘Waarom,’ zei de slimme Wolf ‘zou dat eigenlijk erg zijn dat er geen apparaten meer zijn die opgeladen moeten worden?’ En toen kwam er opeens een aap uit een mouw, zomaar hij kroop er zomaar uit.

De president moest nu wel aan Wolf toegeven dat al die apparaten van hem waren, dat hij een bedrijf had waar ze allemaal waren gemaakt en dat als er geen apparaten meer zouden zijn hij brodeloos zou worden.
Wolf riep: ‘Maar dat betekent dat niet het gemak de mèns dient maar alleen maar uzelf dient!’
Dat moest de president nu toegeven, hij kon niet anders. En Wolf zei: ‘Dan gaan we de heleboel herijken! Gemak dient de mens niet langer maar juist ongemak. We zorgen gewoon voor een heleboel ongemak en daar hoeven we niet zoveel voor te doen want dat is er nu eenmaal als je leeft. Leven en laten leven wordt nu het credo!’ De president mompelde nog wat: ‘Ja, maar wordt het dan niet zo dat de ene mens de wolf wordt van de ander??? Want als je het aan mensen overlaat…’ De president had namelijk helemaal geen vertrouwen in mensen maar eigenlijk vooral niet in zichzelf, want dat hadden zijn ouders er nu eenmaal bij hem ingepeperd.
Wolf lachte zijn tanden bloot en riep: ‘Haha, je zou misschien denken dat ik zo over mensen denk als Wolf zijnde, maar ik heb net gezegd, je moet het over een hele andere boeg gooien president!’
De president liet het hoofd hangen en zei : ‘Wolf je hebt gelijk. Weet je wat: jij moet maar president worden, dan kun je zelf aan de mensen vertellen dat we een heel ander uitgangspunt gaan hanteren’. Dat lijkt misschien gek omdat hij daarmee de macht zomaar uit handen gaf maar ook super-machtigen kunnen moe worden van hun macht, doodmoe zelfs.

En zo kwam het dat Wolf vanaf een groot balkon en niet op een scherm, dat moest worden opgeladen, tegen de mensen zei dat vanaf dat moment ieder mens belangrijk was. Leven en laten leven daar ging het vanaf nu om, zei Wolf, en de mensen die nog erg moe waren en hangerig hoorden hem wat depri aan, maar dachten al wel: Ach dat klinkt wel prettig, we hoeven onszelf niet meer zo te forceren, we mogen gewoon zijn die we zijn en we hoeven niet steeds apparaten op te laden.
Er ging een zucht van rust door het land.
Men liet even de boel de boel, kwam op adem en dus op energie en begon weer plezier in dingen te krijgen en zo kwam het dat als je in dat land kwam je allemaal mensen zag die dingen aan het oppakken waren in plaats van op te laden of te ontladen en ze leefden met vallen en opstaan, maar dat hoorde erbij vond men.

Het land waar de markt werkt; sprookje van deze tijd

In deze vakantietijd zult u op deze pagina sprookjes van deze tijd aantreffen ipv de gebruikelijke blogs. De afgelopen week ben ik daar al mee begonnen. Zoals u als lezer begrijpt gaat het hierbij om fictie en dus niet om de non-fictie die u van mij bent gewend.

Het land waar de markt werkt

Er was eens een land, waar ze geloofden in marktwerking, zo noemden ze dat. Niet de mensen op de markt werkten maar de markt zelf werkte vonden ze daar. Zo begroetten ze elkaar ook. Ze zeiden niet: “Goede dag”, maar “Goede marktwerking”, en vlak voor het eten hadden ze de gewoonte om naar hun bord te kijken en tegen elkaar te zeggen: “Wat werkt de markt toch vandaag weer goed voor ons”.

Marije was in dat land geboren , een slim meisje dat net haar tiende verjaardag had gevierd en veel cadeautjes had gehad, ook allemaal cadeautjes die ze eigenlijk niet nodig had en die ze aan haar buurmeisje had gegeven. De vader van het buurmeisje dat Mirthe heette had opeens zijn baan verloren en toen Marije dat had gehoord had ze aan haar vader die directeur van een bank was gevraagd: pap, waarom heeft de vader van Mirthe zijn baan verloren? Is dat ook marktwerking?
De vader van Marije was groot en stevig, kreeg eigenlijk al een buikje, dat hij meestal inhield maar bij diners met zakenmensen lekker voluit kon laten hangen onder tafel. Zijn vrouw, de moeder van Marije, was klein en slank en als ze bij zulke diners naast haar man zat pestte ze hem een beetje door juist dan even onder tafel haar hand op zijn buik te leggen.
“Natuurlijk schat,”  zei de vader van Marije, “als de vader van Mirthe zijn baan verliest is dat marktwerking. Weet je waarom? Omdat hij in een fabriek werkt waar auto’s worden gemaakt en auto’s kunnen tegenwoordig goedkoper in andere landen worden gemaakt omdat degenen die in de fabriek werken daar minder kosten en mensen willen nu eenmaal liever minder betalen voor een auto als die auto even goed is. En dat geldt ook voor robots, robots zijn goedkoper dan mensen en dan zetten ze robots in de fabriek die het werk van mensen kunnen doen en dat willen de kopers van auto’s liever want ze willen nu eenmaal graag minder betalen voor eenzelfde kwaliteit”.

“Maar pap,” zei Marije die niet op haar achterhoofd was gevallen, “als de mensen nu weten dat hun buurman of vriend of vader wordt ontslagen als ze minder geld betalen voor een auto zouden ze dan niet meer willen betalen zodat iedereen toch werk heeft en dus ook een auto zal kunnen betalen zodat er juist meer auto’s komen en meer mensen kunnen werken?”.
De moeder van Marije mengde zich in het gesprek en hoorde de laatste zin. De moeder van Marije was milieubewust, en riep: “Hè bah, nog meer auto’s en er zijn er al zoveel, al die vervuiling, we moeten juist minder auto’s hebben”. Marije dacht meteen: en jij dan, waarom moet jij een klein mini-tje, pap heeft toch al een auto, maar ze hield haar mond maar want ze kende haar moeder, daar viel niet tegen op te praten.
Haar vader ging nog even door en zei: “Marije, kijk dat is nu het verschil, als ik werkeloos zou worden omdat bv de bank failliet raakt is dat geen marktwerking dan springt de overheid bij, ze zijn veel te bang dat de mensen dan al hun geld kwijt zijn, maar als de vader van Mirthe werkeloos wordt wel”.
Marije wilde al meteen weer een vraag stellen maar zag dat haar vader naar haar knipoogde. Haar vader maakte een grapje. Hij maakte wel vaker grapjes die ze de helft van de tijd niet begreep, maar haar moeder zei vaak: kind, je vader heeft humor en dat was iets moois begreep Marije, dus vroeg ze maar niet verder.

Maar vanaf dat moment hield het haar bezig. En ze begon heel goed op te letten. Ze had van haar vader begrepen dat alles in deze wereld draaide om vraag en aanbod. Bij de marktwerking ging het om de vraag, de vraag was nu eenmaal zus of zo en daar voegde zich de wereld naar.
Marije begreep dat de vraag ook iets te maken had met behoeften en ze testte het op haar moeder uit: “Mam, ik heb vandaag heel erg veel behoefte aan een taart met veel slagroom en mooie versierselen erop”.
Haar moeder reageerde meteen en zei : “Kind een taart, hoezo je bent toch niet jarig, dat duurt nog even en veel slagroom is ongezond dat weet je toch?”.
Die avond toen de vader van Marije thuiskwam kon ze niet wachten om haar vader te vragen: “Pap, hoe komt het dat er zoveel ongezonds in dit land is, drank, snoep, ongezonde frisdrank, auto’s terwijl het veel gezonder is om te lopen, ongezonde spelletjes waar je verslaafd aan kan raken zodat je je huiswerk niet meer doet? Is dat misschien ook de marktwerking en als dat zo is, omdat mensen graag ongezonde dingen eten en doen, moet je dat dan juist niet tegengaan? Is marktwerking soms ongezond?”.

Haar vader begon meteen te lachen: “Van wie heb je die wijsheid, Marije” zei hij. “Je zal nog eens zien, er schuilt een econoom in dit kind” zei hij trots meer tegen haar moeder dan tegen haar. “Pap”, zei Marije, “je hebt nog geen antwoord gegeven”.
“Schat”, zei haar vader en trok haar op schoot,” we leven hier in een vrij land en dat kan betekenen dat mensen ongezonde dingen doen of willen hebben. Dat moeten we respecteren,” zo noemen we dat.
Marije weer: “Maar als ze nou eerder doodgaan of hun school niet af kunnen maken omdat ze aldoor computerspelletjes zitten te doen?” “Kijk,” zei haar vader “dat is opvoeding: ouders moeten zorgen dat hun kinderen niet verslaafd raken maar als ze eenmaal volwassen zijn, tja dan ga je er zelf over”.

Marije was nog niet tevreden gesteld. “Maar pap, als we er nu voor zouden zorgen dat in de supermarkten gewoon alleen gezonde dingen te koop zijn, dus niet al die conserveermiddelen en suikers in producten, dan had je toch minder dikke mensen en dan leefde iedereen toch langer en gelukkiger?”.
“Schat,” zei haar vader, “jij bent een idealist, dat is mooi, die moeten er natuurlijk ook zijn, maar pas op voor dogmatisme hè. Want als dogmatici het voor het zeggen krijgen nou berg je dan maar dan mag je dadelijk helemaal niks meer, dan komt de politie aan huis als je een kilootje suiker in je keuken hebt staan, haha,” en hij sloeg op zijn knieën van het lachen. Marije’s vader vond zijn eigen grappen vaak erg leuk. Marije schaamde zich op zo’n moment voor hem, want ze zag aan andere mensen dat ze hem dan niet konden volgen of zijn grappen niet zo leuk vonden als hij ze vond.
“Maar als Mirthe’s pappa geen werk meer heeft omdat we geloven in de marktwerking dan zijn we toch ook dogmatici,” vroeg Marije aan haar vader, die haar onmiddellijk van zijn schoot zette en tegen haar moeder zei: “Dit kind wordt veel te wijsneuzig, van wie zou ze dat nou toch hebben”.

De moeder van Marije, die net was thuisgekomen van een vergadering van één van haar besturen, want de moeder van Marije was in heel veel besturen gevraagd omdat ze allemaal dachten dat zij er misschien voor kon zorgen dat hun eeuwige geldprobleem via haar man kon worden opgelost, schudde haar hoofd. Dat betekende altijd: laat maar, hier heb ik ook geen antwoord op.
“Kind , heb je je huiswerk al af?” vroeg ze maar. Dat was net zoiets als marktwerking, een zin, een woord dat je altijd te pas en soms te onpas kon gebruiken, vond Marije. “Ja hoor,” zei ze maar. Ze wou eigenlijk zeggen dat ze school stom vond, dat je er niks leerde en dat ze op de echte vragen die je had geen antwoord wisten, nog sterker, die vragen kwamen helemaal niet er sprake. De school leek je wel af te leiden van alle echte vragen en antwoorden. Een manier om je bezig te houden zodat je juist niet teveel vragen ging stellen en met feitjes stampen en gewenste antwoorden geven je tijd ruimschoots kon vullen en ook nog goede cijfers en waardering kon behalen.

Toen Marije ouder werd koos ze voor de goede cijfers en de waardering ook al omdat ze van haar ouders hield en merkte dat haar vader kwaad werd als ze zulke moeilijke vragen stelde en haar moeder afstandelijker deed, kortom dat ze haar ouders van wie ze erg veel hield kwijt raakte met “haar moeilijke gedoe” zo noemden ze dat.
En ze ging na haar middelbare school economie studeren en communicatiewetenschap en haar ouders waren trots op haar en vertelden iedereen over hun knappe dochter die tegenwoordig werkte als directeur bij een marketing- en tevens internet-verkoopbedrijf dat gespecialiseerd was in profiling van potentiële klanten. Dat betekende dat over iedereen zoveel mogelijk gegevens werden verzameld om er achter te komen wat ze misschien zouden  willen kopen of waaraan ze misschien behoefte zouden kunnen hebben en dan benaderde dat bedrijf die mensen persoonlijk dat wil zeggen op hun IP-adres dat eigenlijk belangrijker was geworden dan een huisadres met aantrekkelijke aanbiedingen.
Als die mensen dan ingingen op die aanbiedingen had je kans dat ze kopers bleven, dan had je ze als klanten ‘gestrikt’ en dat was wat ze noemden de target van dat bedrijf: klanten ‘strikken’, er een strik om doen en dan konden ze geen kant meer op, dachten ze daar bij dat bedrijf.
Marije ontmoette er ook de vader van haar kinderen. Ze kregen een jongen en een meisje en dat meisje dat ze Mirthe noemden naar Marije’s vroegere buurmeisje vroeg aan haar moeder toen ze 10 jaar was: “Mam, wat bedoelen ze toch met marktwerking?” En toen Marije zei: “dat is heel simpel schat: de markt dwz de vraag bepaalt het aanbod,” vroeg Mirthe: “Maar mam je hebt me toch zelf verteld dat jij ervoor zorgt dat mensen een vraag hebben en dat ze zonder jullie misschien helemaal niet zoveel vragen of behoeftes hebben? En jullie zijn toch eigenlijk ook tegelijk aanbod? Is dat nou wel eerlijk mam?”.

Marije kreeg opeens een rood hoofd en bedacht dat ze ooit zelf dat soort vragen had gesteld aan haar ouders, maar ze wist niet wat ze moest zeggen dus zei ze maar: “Mirthe, heb je je huiswerk al gemaakt?”.

Iedere dag genieten; sprookje van deze tijd

Op tram en bushaltes zag ik een tijdje terug de volgende tekst staan: Dit jaar meer genieten en toch geld overhouden: Iedere dag genieten!
Stel dat over honderd jaar, als de aarde nog bestaat, robotten die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van de mens, die hen per slot van rekening gemaakt heeft, deze teksten vinden.
Wat zouden ze dan over de mens denken?
We laten hier even de robotten aan het woord:
“De mens was een species, dat genieten belangrijk vond en daarom ons uitvond. Dan hoefden ze niet meer te werken, lieten ons het vuile werk opknappen en hielden zich vervolgens alleen bezig met wegvliegen.
Zo ver mogelijk wegvliegen liefst naar een andere planeet.
Zo gingen ze dus met zijn allen naar de maan”.

Maar wat als die robotten ook nog andere teksten vonden zoals: “Je moet in het zweet des aanschijns de kost verdienen”.
Hoe was het één met het ander te combineren? De robotten die eigenlijk cyborgen waren, dus ook nog wat menselijks hadden, braken zich er hun sturingsmechanisme over.
Maar ze kwamen er niet uit.
Dus vroegen ze de Cyborg God om hulp. Die bestond namelijk en had het wereldbestuur overgenomen nadat de mensen er een zooitje van hadden gemaakt en bijna alles wat leefde dreigden te vernietigen.
Hij was trouwens ook een Zij en had zichzelf uitgeroepen tot Messias, de Messias waar iedereen eigenlijk al sinds mensenheugenis op zat te wachten.
De mensen, althans wat er van hen over was,  waren dus zoals dat heette ‘kalltgestelt’.
Ze zaten vast in inrichtingen, dierentuinen en werkkampen en dienden tot vermaak van de cyborgen. De cyborg God velde Zijn/Haar oordeel: De mensen, zei Hij/Zij, hebben hun tijd gehad.
Zij konden niet overweg met hun sterfelijkheid en verzonnen van alles om aan die sterfelijkheid te ontkomen zoals een hemel, een hel, en allerlei geboden.
Dat hield hen bezig en zo konden ze denken dat ze misschien toch goed terecht kwamen na dit leven.
Een andere route voor wie daar niet in geloofde was de afleiding geweest: gewoon genieten liefst door weg te vliegen, weg van de werkelijkheid van alledag, van oorlogen, honger en armoede en dat noemden ze dan “In het NU leven”. Maar zo simpel was dat niet.
Genieten bleek desastreus voor moeder aarde, die al dat genot niet aankon en terugsloeg met overstromingen, aardbevingen, tornado’s en andere rampen.
De ene helft van de mens werd op die manier weggevaagd en vluchtte naar andere gebieden. De andere helft in andere gebieden bouwde muren om die stroom vluchtenden tegen te houden en probeerde nog meer te genieten door steeds vaker weg te vliegen, wat alleen nog maar meer rampen veroorzaakte.
En tenslotte was er nog de weg van de zelf-opheffing. Dus niet verheffing zoals bij vliegen maar opheffing.
De mens die zo ingenieus in elkaar stak dat geen mens hem na kon maken beschouwde het nu als grootste uitdaging om een machine te maken die de mens overtrof en hem overbodig maakte.
Onbegonnen werk natuurlijk want die machine zou nooit zo dramatisch worden als de mens en dat was nou net het bijzondere.
Zo dacht de Cyborg God en alleen al zijn/haar denken was genoeg om alle cyborgen tevreden te stellen.
En ze waren blij dat ze niet zo waren als die ingewikkelde mens en niet bang waren dood te gaan of een liefde te missen of niet goed genoeg te zijn, tekort te schieten.
Blij, ja blij, niet blij zoals een mens blij kon zijn natuurlijk, maar piepjesblij,zo heette dat.
En ze leefden nog lang en piepjesblij totdat hun draadjes versleten en ze gewoon aan vervanging toe waren.

Woede en introspectie

Overal is woede.
De gele hesjes zijn woedend, oorspronkelijk vanwege de extra belasting op benzine, maar ze blijven woedend, ook nu dat probleem lijkt te worden opgelost.
Hun woede is zelfs overgeslagen naar Nederland. Uit woede gaf een mevrouw met een geel hesje Rutte geen hand.
De me too-beweging is een uiting van woede want vrouwen pikken het niet langer om seksueel misbruikt, geïntimideerd of op een onprettige manier benaderd te worden.
Als van de opgestapte Özdil van de GroenLinks-Tweede Kamerfractie maar enigszins was aangevoerd door Jesse Klaver dat zijn onaangename gedrag iets met de dames te maken had gehad (of dat nu waar was of niet), was dezelfde Özdil in plaats van Klaver door M (Margriet van der Linden) gefileerd tijdens haar programma.

Zonder veroordeeld te zijn in rechte, veroordeeld worden en plein public dat is wat de woede doet en voedt.
Woedend zijn ook al diegenen die op sociale media anderen  met de vreselijkste dingen bedreigen omdat ze iets anders zeggen of doen dan de bedreigers willen horen of zien.
Het recht is geen optie meer voor hen.
Een rechtsgang is duur en duurt lang en als je je zin toch kunt krijgen door iemand te bedreigen is dat wel zo effectief.
Zo maakt een bedreigde ondernemer geen zonnepanelen meer en houden journalisten in precaire zaken maar liever hun mond, zeker als ze kinderen hebben.
We hechten zo aan vrijheid van meningsuiting maar de (geuite) woede (ik denk hierbij nu niet speciaal aan de belediging van een profeet die woede opwekt) is de grootste belager daarvan.
Dan zijn er nog de vreemdelingenhaters, de gekwetste en boze witte mannen of al diegenen die woedend zijn op de elite, het kapitaal, het systeem, Macron, Europa, vrouwen, homo’s, joden, moslims, maar ook witte heterogene mannen.

Al diegenen kan ik aanraden het boek van Edith Eva Eger te lezen: De keuze. Leven in vrijheid. Eger die Auschwitz en een dodenmars heeft overleefd en letterlijk als bijna-lijk uit een berg lichamen is gevist heeft bijzondere adviezen voor hen die woedend zijn op de ander en zich slachtoffer voelen. Ze heeft er zelfs als psycholoog haar leven aan gewijd.
Mèt Victor Frankl, die De zin van het bestaan schreef, een boek dat mijn leven veranderde, evenals zij overlevende van Auschwitz en psycholoog, wijst zij erop hoeveel je zelf kan doen aan de situatie waarin je verkeert (ook heel wat minder extreem dan Auschwitz) niet door deze de schuld te geven van een mislukt leven of door anderen de schuld te geven dat ze je leven hebben verwoest maar door je houding te veranderen.
Zowel zij als Frankl stellen dat in welke afgrijselijke situatie je ook verkeert je een keuze hebt. Als je bv zoals Eger deed een brood krijgt van Mengele omdat je voor hem danste terwijl hij net je moeder naar de gaskamers stuurde kan je dat brood zelf opeten maar je kan het ook delen met anderen.
En dat is precies wat ze deed. Later bleek juist dat gebaar cruciaal want toen ze tijdens de dodenmars bijna viel en niet meer overeind zou komen, tilden zij met wie ze haar brood had gedeeld haar op en redden haar zo.
Het is een bijna bijbels verhaal.
Niet simpelweg eigenbelang en voor jezelf opkomen redt een mens maar coöperatie, hoop en liefde, zoals duidelijk wordt uit het boek van Eger.
Maar ook: wat in je hoofd zit, je gedachten maar ook je verbeelding, kan niemand je afnemen. Denken aan een geliefde, zoals Frankl deed kan een mens redden in een mensonterende situatie.
Met die wijsheid ben ik ook zelf opgevoed en Eger haalt in haar boek haar moeder aan.

Stel nu dat al die woedende mensen de woede niet bij de ander of de situatie maar bij zichzelf zouden zoeken, bij de ontevredenheid die ze van binnen hebben.
Stel dat ze zich naar binnen en niet naar buiten zouden keren, dat ze aan zelfonderzoek zouden doen?
Dat ze zouden constateren dat ze zichzelf niet accepteren, dat hun woede hen gevangen houdt evenals de overtuiging en gevoelens waar ze hun hele leven al mee rondlopen zoals dat er niets is wat hij of zij doet wat hem of haar in zijn of haar eigen ogen goed genoeg maakt om iemands liefde waard te zijn? (zie pag 228 onderaan.)
En stel dat ze na dat zelfonderzoek zichzelf zouden accepteren en waarderen…
Dat ze hoop en liefde zouden toelaten?
Dat ze de ander die hen leed heeft bezorgd zouden kunnen vergeven zoals Eger deed maar ook zichzelf als zij een ander wat hebben aangedaan.

Ik eindig met een citaat:
“We kunnen er niet voor kiezen de duisternis te laten verdwijnen maar we kunnen ervoor kiezen het licht te koesteren” (pag 1).

In shock

Na de schok die door ons land ging toen Ajax landskampioen werd en Duncan het songfestival won, stond deze week volledig in het teken van: In shock.

De Noord- Oost Groningers waren natuurlijk in shock toen ze ondanks de afname van de hoeveelheid gas in hun gebied voor de zoveelste keer werden geconfronteerd met een aardschok van 3.2, maar ze werden in het nieuws volledig overvleugeld door de shocks uit Den Haag.

Het begon er al mee dat de Tweede Kamer in shock was toen bleek dat bij de Rapportage Vreemdelingenketen, waarin voor het eerst op basis van politiecijfers een landelijk overzicht was gemaakt van incidenten waarbij asielzoekers als verdachte werden aangemerkt, doodslag en moord onder het kopje “overige” werden verdonkeremaand.

Het deed me denken aan de tijd dat ik voor de PvdA in de gemeenteraad van Leiden zat en politiehonden (waar ik als lid van de Politiecommissie tegen was) onder het kopje “roerende zaken” op de begroting werden opgevoerd.
Harbers bood zijn excuses aan en trad onmiddellijk af. Zo hoopten ze bij de VVD dat de partij vlak voor de verkiezingen geen gezichtsverlies zou lijden.

Degenen die het hoofd koel hielden, zoals de journalisten Sheila Sitalsing en Irene de Zwaan lieten in de Volkskrant zien dat van die moorden wat in feite pogingen waren, slechts 1 persoon daadwerkelijk het leven liet.
Eric Slot die alle moorden in Nederland bijhoudt in zijn Moordatlas constateert dat er in 2018 geen moorden door asielzoekers zijn gepleegd.
In feite ging het vooral om geweld bìnnen asielzoekerscentra waar de spanningen heel erg op kunnen lopen.
De conclusie had hierbij dus niet moeten zijn dat Harbers af moest treden, maar dat asielzoekerscentra een veiliger plek zouden moeten worden. En ik denk hierbij vooral ook aan vrouwen en lhbt-ers

Over vrouwen gesproken, Grapperhaus liet bij M (Margriet van der Linden) weten dat hij met een wetsontwerp bezig is waar diegene strafbaar is die seksuele handelingen pleegt waarvan hij kan vermoeden dat ze niet op prijs worden gesteld. Het gaat dan niet langer om geweld maar om (on)vrijwilligheid. Vrouwen zouden volgens Grapperhaus in shock kunnen raken bij ongewenste intimiteiten en bevriezen. Dan vallen ze niet onder de huidige wetgeving. Volgens hem zijn omstandigheden erg belangrijk.
Naar mijn idee zijn de omstandigheden binnen het huwelijk met name heel geschikt om deze onvrijwillige situaties te creëren. Vroeger spraken ze dan over “een peertje schillen”, u begrijpt wat ik bedoel, of gewoon als je man na een uitputtende werkdag zich even wil ontladen, dan maar even aan iets anders denken of bevriezen.
Voorzover deze vrouwen überhaupt aangifte zouden willen doen komen ze op de stapel van de 25.000 waar de politie nu al niet aan toekomt.

En wat te denken van de shock die Rutte veroorzaakte toen hij op een vmbo-school Baudet uitdaagde voor een tweegevecht (nee geen ouderwets duel maar een 1 op 1 debat).*
Vervolgens de shock bij de NPO die hierin moest voorzien terwijl het kemphanen betrof die de NPO het liefst zouden decimeren (de één vanwege zijn “markt”-standpunt de ander omdat ze daar te links zouden zijn).
En natuurlijk de shock bij de andere politieke partijen die werden kalltgestelt door rechts en extreem rechts.
En tenslotte de grootste shock van allemaal toen bleek dat Frans Timmermans er met de buit vandoor ging.
Arjen Noorlander van Nieuwsuur, die steeds vaker wordt geconsulteerd (door Nieuwsuur, misschien krap bij kas?) was ervan overtuigd  dat het alleen nog maar tussen de VVD en Forum voor Democratie zou gaan, maar nee hoor de kiezers bleken althans in de exitpolls volledig onverwacht het progressieve geluid van Timmermans te honoreren.
Hij probeerde nog een beetje zijn gelijk te halen door in zijn commentaar  aan deze winst wat af te doen (het was een éénmansactie van Frans geweest, had niks met de PvdA te maken en hij had in zijn eentje met zijn overwinning heel links leeg-getrokken) maar jammer voor Arjen, behalve de PvdA had ook Groen Links alwéér gewonnen.
Soms lijkt het of de zgn linkse media zoals ze door rechts worden genoemd overijverig zijn in het benadrukken van het succes en belang van het “gesundes Volksempfinden”.

Zo werd tijdens het lijsttrekkersdebat wat voorafging aan het door fans van beide partijen gelardeerde spektakel, een geel hesje opgevoerd, de heer Tuyn, die als een soort BN-er een belangrijke evaluerende rol kreeg toebedeeld.
Waarom dan niet een succesvolle Syriër daar neergezet?
Het antwoord is simpel: goed nieuws is geen nieuws. Al die goed geïntegreerde  vluchtelingen maar ook de vrijwilligers die zich, zoals in mijn wijk, voor hen inzetten delven het onderspit ten opzichte van de “boze” gele hesjes.

Ik ben een Hesje maar geen gele, ik ben een rood Hesje en evenals de positief ingestelde en kennelijk ondanks verdachtmakingen overtuigende Frans Timmermans kom ik daar rond voor uit.
Ik dank Frans en al zijn kiezers met heel mijn hart voor het feit dat ze mij weer hoop hebben gegeven, de hoop dat in Europa het verstand, oprechte betrokkenheid, rechtvaardigheid en menselijkheid toch zullen overwinnen.

  • Mijn grootste shock in dat debat was dat Baudet over de al of niet dreiging van Rusland, Jean-Claude Juncker in één adem noemde met Hitler omdat ze beide zoveel tegen Rusland hadden (gehad).
    Hij daarentegen vond juist dat je Rusland en Poetin tot vriend moest houden ook als hun vliegtuigen al boven ons luchtruim aan intimiderende verkenningsvluchten bezig waren en de Russen met hun Buk-raket de MH17 uit de lucht hadden geschoten.
    Baudet had duidelijk liever Poetin in zijn achtertuin dan mensen die uit nood huis en haard ontvluchten begreep ik.