Coronaparadoxen

Welke lessen kunnen we trekken uit onze lockdown-ervaring en hoe kunnen we die implementeren in een (betere) toekomst? Die vraag stond en staat nog steeds bij veel denkers en doeners in politiek en bestuur centraal. (Zie ook mijn blog van 22 juni: Small is beautiful.)
Ondertussen zien we dat de angst voor een verstrekkende economische crisis veel goede voornemens bijv ten aanzien van een verbeterd klimaat overschaduwen.
Daaruit is ook de belangrijkste miljardeninvestering in de KLM en de banen die daar op de tocht staan, te verklaren. Van een werkelijke fundamentele andere visie op de toekomstige luchtvaart in verband met het klimaat is dan ook geen sprake.

Getroffen werd ik door de zeer intelligente analyse van Ivan Krastev, een Bulgaarse politicoloog en één van de oprichters van de European Council on Foreign Relations, in het boek Morgen komt geen dag te laat. Ondertitel: Hoe de pandemie Europa verandert.

Wat daarin opvalt is dat hij zichzelf corrigeert. Zijn bespiegelingen over de draagwijdte van COVID-19 begonnen, zoals hijzelf zegt, met het formuleren van zeven vroege lessen. Een quarantaineperiode later hebben die de vorm aangenomen van zeven paradoxen, aldus Krastev.

“De kapitale paradox van COVID-19 is,” aldus Krastev, “dat het sluiten van de grenzen tussen de EU-lidstaten en het opsluiten van mensen in hun huis ons kosmopolitischer heeft gemaakt dan ooit. Het is misschien wel de eerste keer in de geschiedenis dat mensen over de gehele wereld over hetzelfde onderwerp spreken en dezelfde angsten kennen. Het gebeurt misschien alleen tijdens deze merkwaardige periode in onze geschiedenis, maar we kunnen niet ontkennen dat we op dit moment ervaren hoe het voelt om in een gemeenschappelijke wereld te wonen”.
Interessant is dat Krastev in dat verband naar Immanuel Kant verwijst die zijn geboorteplaats Köningsberg nooit verlaten heeft, maar tegelijkertijd de meest ultieme kosmopoliet ter wereld was met zijn universele verlichting-standpunten.
Je hoeft er dus niet veel voor te reizen om zo’n kosmopoliet te zijn, wil hij maar zeggen.

Wat hij in het verlengde van deze constatering opmerkt, is dat een ‘blijf-thuis-nationalisme’, waarbij het territorium als beslissings- en identiteitsruimte nieuw leven wordt ingeblazen, prima samengaat met een ervaring van de pandemie als crisis die de mensheid de gelegenheid geeft onderlinge afhankelijkheid en gezamenlijkheid te ervaren.

Wat mij betreft heeft dit fenomeen van territorium-gebondenheid de mobiliteit-ongelijkheid verminderd van degenen die zich konden permitteren de hele globe als een soort ‘thuis’ te ervaren ten opzichte van hen die aan huis en haard gebonden zijn bij gebrek aan geld dan wel bewegingsvrijheden om te gaan en te staan waar ze willen. Om verplicht ‘honkvast’ te zijn voelt en voelde voor een groot deel van de mensen op deze aardbol niet als vreemd. Ze kunnen en konden al niet anders.
Tegelijkertijd vergroot het weer de ongelijkheid tussen de have’s (van een groot en comfortabel huis, auto etc) en de have-nots (met een groot gezin op elkaars lip zitten op een klein oncomfortabel oppervlak).

Wat ook een interessante ervaring en paradox is, is dat we van tevoren afstevenden op een totaal gedigitaliseerde samenleving en persoonlijke contacten en persoonlijke service als tijdverspilling begonnen te zien, terwijl we nu na de verplichte lockdown de grenzen hebben ervaren van wat digitalisering vermag.
Krastev: “Online-activisme is vaak niet in staat uitdrukking te geven aan de urgentie en het saamhorigheidsgevoel die zo kenmerkend zijn voor de politiek van de straat. In plaats daarvan neemt het zijn toevlucht tot goedkoop ‘clicktivisme’. COVID-19 vormt een bedreiging voor dit wezenlijke element van democratische politiek. De democratie kan niet functioneren als mensen binnen moeten blijven”(pag 63).
Maar ook op het gebied van kunst en cultuuruitingen en op het terrein van onderwijs, blijkt digitaal verkeer zijn beperkingen te kennen en niet op te kunnen tegen de typisch menselijke ervaring van het lichamelijk in één ruimte zijn, de inspiratie en verdieping die hiervan het gevolg zijn.
Face-timen en zoomen met familieleden, het wordt als zeer beperkt en zelfs armoedig ervaren ten opzichte van dat fysieke wezenlijke contact.
We hebben door het gemis aan lichamelijkheid het lichamelijke juist meer leren waarderen.

Wat betekenen nu deze bevindingen voor onze toekomst?
Krijgen we juist meer autocratie en meer surveillance onder het motto dat we zo onze gezondheid beter kunnen monitoren en de staat moeten vertrouwen als centraal sturingsmechanisme of zijn we kritischer geworden, zijn we ons juist meer gaan realiseren hoe belangrijk het menselijke, het lichamelijke, hoe belangrijk de ontmoeting, de verdieping, het dichtbije is?
Beschouwen we nu onze medemensen all over the world meer als gelijken omdat zij allen kunnen worden getroffen door een virus als COVID-19 of zijn we juist banger geworden voor alles en iedereen die ons evt zou kunnen besmetten en gevaar zou kunnen vormen voor onze grenzen letterlijk en figuurlijk…?
Zijn we rationeler geworden en hebben we meer vertrouwen in wetenschap en ratio gekregen of zijn we wantrouwender geworden en vermoeden we complotten?

Het voordeel van deze crisis was in elk geval, aldus Krastev, dat autoritaire leiders niet van crises houden die van hen verlangen dat ze reageren met het opleggen van regels. Niet het genie en de kracht van de leider, maar alledaagse dingen, zoals burgers die hun handen geregeld wassen, zijn de beste manier om de verspreiding van het virus in te dammen.
Wellicht geeft deze nuchtere constatering hoop.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *