Ouwe koeien 2: Het open huwelijk

In de NRC van 17 juli staat een stuk over polyamorie. Antropoloog Roanne van Voorst is op zoek naar de toekomst van de liefde en beschrijft erin een polyamoreus huishouden.
Wat mij betreft niets nieuws onder de zon ook al is misschien de taal wat veranderd.
Zo spreken degenen die lid zijn van zo’n huishouden over ‘jalief-zijn’ als alternatief van jaloers-zijn.
Volgens de polyamoristen is het hen niet te doen om kortstondige seksavontuurtjes met vreemden maar om het onderhouden van duurzame, romantische liefdesrelaties met meerdere mensen. Voordeel is dat je niet in hokjes hoeft te denken en dat het ‘gezelliger’ is dan in een monogame relatie.
Het nadeel is dat het wat ‘rommeliger’ is, dat je aan efficiënt tijdsmanagement moet doen en een gedeelde digitale agenda is een must, aldus ene Jochem met wie de schrijfster van het stuk een strandwandeling maakt.

Ik kan me voorstellen dat er in tijden van Corona nog wel een factor bijkomt, namelijk hoe doe je dat met vaccinaties zeker als er mensen tussen zitten die geen vaccinaties willen. Opvallend genoeg refereert Van Voorst aan verschillende wetenschappers die zeker weten dat polyamorie in de toekomst in het Westen een geaccepteerd en bekend alternatief zal gaan vormen voor ons huidige en dominante liefdesmodel.
Ik denk dan stiekem: Als je naar onze toekomst kijkt waarin een virus als Corona niet meer is weg te denken lijkt ego-amorie of het celibaat me nog het meest haalbare.
Overigens hoefden wij ons in onze tijd alleen met soa’s bezig te houden en dat vonden we al ingewikkeld genoeg.

Maar even terug naar de jaren zeventig.
‘Open marriage’ was in.
Ik herinner me nog een gesprek in de tent ergens in Finland waar ik met mijn eerste echtgenoot rondtrok, over de voor- en nadelen van het open huwelijk.
Hij was er wel voor, ik niet zo, werd allengs duidelijk. Ons huwelijk heeft niet lang stand gehouden. Misschien was dat gesprek toen al een manier om een escape-route aan de orde te stellen…

In het stuk van Van Voorst wordt het open huwelijk uit de jaren zeventig weggezet als een verhouding waarbij je openlijk seks kon hebben met anderen zonder dat dat ten koste ging van je huwelijk of relatie, maar dan ging het vooral om de seks.
Het open huwelijk kwam inderdaad voort uit de zogenaamde seksuele revolutie waarbij men afrekende met de zondige connotaties van het begrip overspel. Toch kon er ook wel degelijk sprake zijn van duurzame en intieme relaties.
Zo was er in het Leiden waarin ik veertig jaar heb gewoond een bekende commune (we noemden dat toen communes) op de Herengracht, met evenveel vrouwen als mannen, ik meen zes maar misschien waren het er vier, waarin ook kinderen werden geboren en opgroeiden.

Ik kende de vrouwen, twee waren actief in het onderwijs en in de PvdA.
Mij intrigeerde het altijd hoe ze leefden en hoe ze omgingen met relaties, ouderschap en met name rolverdeling.
Eén van hen wist mij in een paar boeiende gesprekken duidelijk te maken hoe voordelig het vooral voor vrouwen was en hoeveel individuele vrijheid het gaf, een dergelijk levens- en gezinsvorm.
Terwijl ik moeizaam voortploeterde in een relatie met iemand die in eerste instantie het vaderschap niet heel erg zag zitten en bij wie ik nogal eens krampachtig probeerde om hem ‘naar huis’ te trekken, leek me zoiets best weldadig.
Alleen realiseerde ik me ook dat ik qua karakter te jaloers zou zijn om me volkomen relaxed en gelukkig te voelen als ik weer een avondje vrijaf zou hebben omdat een commune-genoot samen met de biologische vader van mijn kind zowel zorg- als bed- dienst had.

Ik denk ook dat in die tijd, de tijd dus van de communes, speelde dat het begrip ‘bezit’ een verdachte klank had.
Dat gold voor materiële goederen en geld; ik herinner me nog dat ik me vreselijk schuldig voelde toen ik van de verkoop van ons eerste huis, dwz van mijn eerste echtgenoot en mij flink veel geld overhield.
Maar het gold zeker voor het bezit van een ander mens.
Een man of vrouw was geen bezit, kinderen ook niet trouwens.
Alles was tijdelijk. Er was toen een groot besef van tijdelijkheid en eigenlijk ook bescheidenheid. Daar kom ik in mijn volgende blog op terug.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *