Er was eens een volk; sprookje van deze tijd

Er was eens een volk, een volk van het boek. Het boek was heilig voor hen. Ze lazen erin, dag in dag uit. Ze geloofden in de woorden uit het heilige boek en wogen de woorden iedere dag op een goudschaaltje. Die woorden vertelden hen hoe ze moesten leven, hoe ze met zichzelf en anderen om moesten gaan. Ze waren hun houvast.
Ze noemden ze wetten en recht, hun recht.
Recht was wat niet krom was, recht en wetten waren hen gegeven van hogerhand. Dat kwam zo: ze waren letterlijk op hen neergedaald, toen ze een hele tijd in de woestijn zwierven nadat ze zich uit de onderdrukking hadden bevrijd en hun koers kwijt waren, niet meer wisten welke kant ze op moesten en hoe ze nu hun leven aan moesten pakken.

Een volk is pas echt vrij zo werd hen duidelijk gemaakt, als ze zichzelf wetten oplegt en zich aan het recht houdt, en het recht is eigenlijk hetzelfde als het woord. Een volk maar ook een mens die woord houdt is te vertrouwen immers en vertrouwen is de basis van  alles in deze wereld werd hen geleerd, van welzijn en geluk, van voorspoed, van liefde.
Zo werd hen ook duidelijk dat woord houden en je aan wetten houden betekende dat je de ander behandelde als jezelf, je wilde immers ook graag van een ander dat hij zich tegenover jou aan zijn woord hield en zich aan de wetten hield.
En zo noemden ze zich het uitverkoren volk, omdat ze dat inzicht hadden gekregen daar midden in die leegte, in een tijd waarin ze de weg kwijt waren.

En dat inzicht, die belofte om woord te houden maakte van hen iets bijzonders, zo ervoeren ze dat. En die belofte brachten ze over op hun nageslacht. Ze zouden, dachten ze, daarmee een licht in de wereld kunnen zijn. En daarom hielden velen van hen zich later bezig met woorden en wetten en de interpretatie daarvan.
Maar als er één ding is dat mensen moeilijk vinden is het om woord te houden, om zich naar wetten te schikken die ooit zijn vastgelegd maar die de mensen niet uitkomen op een bepaald moment. En daar begon het te wringen.

Mensen zijn opportunisten dat wil zeggen dat ze liever gebruikmaken van wat hen op een bepaald moment het beste uitkomt en dan zijn principes en wetten een sta in de weg. Dat gold ook voor de mensen van dat volk. Ze dachten bv: waarom moeten wij ons aan de wetten houden en aan het woord? Dat geeft ons een achterstand ten opzichte van anderen die dat niet doen en liegen en bedriegen en gebruikmaken van ons of ons bedreigen en vervolgen omdat wij door onze principes kwetsbaar zijn en bovendien de pretentie hebben een voorbeeld te zijn. Wat een belabberde combinatie, dachten die mensen.

Overal waar het volk kwam kregen ze het moeilijk. Soms werden ze juist binnengehaald omdat hun manier van leven welzijn met zich meebracht, want vertrouwen is een basisprincipe om te kunnen onderhandelen en onderhandelen is weer de basis van handel zoals het woord al zegt, maar dan werden ze later weer vervolgd omdat ze jaloezie opwekten met hun principes en levensstijl. Of ze werden afgescheiden en opgesloten, ommuurd zodat het leek of ze weer in hun oorspronkelijke onderdrukte staat terechtkwamen. Maar juist toen het volk ondanks dat alles na vele eeuwen van vestigen, vervolging en verhuizing zijn hoogtepunt van invloed op andere volkeren bereikte en overal wetten en recht kwamen en het woord eerst gedrukt en later steeds meer serieus werd genomen, juist toen kreeg het woord en het recht een andere betekenis.

Juist omdat mensen opportunisten zijn gingen ze gebruikmaken van het woord om zelf macht te verwerven. Woorden werden uit hun context gerukt, kregen een andere valse klank, werden misbruikt om juist mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van dat ze vertrouwen kweekten tussen mensen onderling.En recht werd het recht van de sterkste. Er kwam wantrouwen in de wereld, georganiseerd wantrouwen en ook het recht en de wetten werden misbruikt voor de eigen doeleinden van de machthebbers.

In de eerste plaats werd het volk daar zelf slachtoffer van. Zij die het woord en de wetten hadden uitgevonden kregen ze nu tegen zich. Het werd vogelvrij verklaard dat wil zeggen dat de mensen van dat volk niet zo vrij als vogels werden maar dat iedereen op ze mocht schieten, ze gevangen mocht nemen  en afvoeren en alles doen wat God, hun God maar ook die van anderen verboden had.
Het werd een plicht hen aan te geven en een misdaad om hen te helpen, want het woord en het recht waarvoor ze stonden moest worden vernietigd, zelfs de herinnering eraan.
En zo kwam het dat het woord als belofte, het recht als gouden regel: je behandelt een ander zoals je zelf wilt worden behandeld, de wetten als continue factor, stierven maar niet meteen.

Eerst het volk zelf waarvan niet veel overbleef. En toen was er opeens het besef na alles wat er was gebeurd, dat dat zo niet meer kon. En de mensen en volkeren maakten prachtige regels en mooie woorden en hele mooie beloften naar elkaar: dit zou nooit meer mogen gebeuren, geen mens mocht ooit nog vogelvrij zijn, een opgejaagd dier.
En degenen die over waren van het volk stichtten een eigen staat in een bestaand land, waar ze dachten dat ze veilig zouden zijn.
Want ze wilden veilig zijn, ze wilden wat zoveel mensen willen: kunnen leven in vrijheid, zonder bedreigd en vervolgd te worden, kinderen kunnen krijgen, een bestaan kunnen opbouwen. En ze waren vergeten dat ze een volk van het woord en van het recht waren. Ze waren met al die lichamen door de schoorstenen van de ovens ten hemel gestegen.
Een aantal probeerde ze nog te vangen, ze deden vertwijfeld hun best maar die krampachtige pogingen waren te verbeten. Ze misten de wijsheid van hen die hen ooit waren voorgegaan maar nu het leven hadden gelaten juist omdat ze waren die ze waren. Alleen een paar enkelingen wisten nog te inspireren.

De wetten, het recht, begon in dienst van veiligheid te staan, veiligheid van een staat, hun staat van zijn. En zoals het volk vroeger een gidsfunctie had in het de weg wijzen naar het heilige woord en het recht en daarmee het onderling vertrouwen, werd het volk nu een gids naar de weg van de veiligheid van een staat en het onderlinge wantrouwen. Het bouwde muren om zichzelf te beschermen tegen degenen die al in dat land woonden en plaats hadden moeten maken voor het volk dat zo op zoek was naar veiligheid. En bewapende zich en bouwde checkpoints en technische informatiesystemen, waardoor ze controle konden uitoefenen op al diegenen die hen bedreigden in en om dat land.

En het woord dat ooit een belofte inhield waaraan ze zich wilden houden, werd nu geheime informatie over de ander tegen wie ze zich wilden beschermen. Want nooit wilden ze meer slachtoffer zijn, schapen die naar een slachtbank waren geleid, zo heette dat en zo werden ze ook door de anderen genoemd, maar nu vonden ze dat zelf ook en dat werd hun credo, hun geloof.

En al diegenen die in dat land kwamen wonen en nog deden denken aan het volk van het woord en de belofte werden als zwakkelingen gezien en men keerde zich van hen af, schaamden zich voor hen. Al diegenen die waren vermoord, waren zwak geweest, hadden zichzelf te kwetsbaar gemaakt met hun principes. Dat zou hen niet meer overkomen. Ze noemden dat realiteitszin.

En die realiteitszin, het zien van de ander als potentiële dreiging en gevaar, dat werd de nieuwe realiteitszin. En de wetten en het recht werden naar de hand gezet, er werd met twee maten gemeten, eigen volk eerst en de ander die als dreiging werd gezien kon wel rechteloos zijn. En zo werd uiteindelijk de ander, de anderen behandeld zoals het volk zelf was behandeld toen het woord werd misbruikt en de wetten verkracht. En het volk heeft in deze nieuwe realiteitszin weer een gidsfunctie. Het woord is allang geen woord meer maar geheime informatie over de ander en het recht is allang geen recht meer maar bescherming van de staat tegen de anderen die een bedreiging zouden vormen maar inmiddels ook tegen de eigen burgers, en de staten zijn lege hulzen geworden, geschraagd door geheime diensten die niemand een dienst meer bewijzen.

En nu is de wereld in verwarring, niemand weet de weg meer, het landschap verdort en wordt weer woestijn. En misschien moeten we met zijn allen weer heel lang dwalen voor we opnieuw een weg gevonden hebben of voor we opnieuw een verhelderend inzicht krijgen aangereikt.

Doe-land en Verweggistan; sprookje van deze tijd

Er waren eens twee landen: Doe-land en Verweggistan

In Doe-land hadden de mensen twee rechterhanden en als ze met elkaar praatten over wat ze deden dan zeiden ze altijd: “gewoon”. Voor hen was de meest gebruikte uitdrukking : “dat doe je gewoon” of “dat doe je gewoon voor elkaar”.
Natuurlijk en vanzelfsprekend, waren stopwoorden.
“Heb je die keuken zelf aangelegd?” “Natuurlijk.” “Heb je je huis zelf gebouwd?” “Vanzelfsprekend.” “Heb je die rommel allemaal zelf opgeruimd?” “Natuurlijk.” Enzovoort enzovoort. De doe-landers vonden dat soort dingen eigenlijk zo gewoon dat ze er geen woorden meer aan vuil maakten. Mensen die teveel praatten over wat ze allemaal deden vonden ze al gauw overdreven. Dan zeiden ze al gauw: “Je lijkt wel van Verweggistan”.

In Verweggistan hadden de mensen twee linkerhanden. Ze liepen altijd met hun hoofd in de wolken, spraken zoveel mogelijk in raadsels. Ze vroegen als je ze aansprak altijd: “Raad eens wat ik bedacht heb?” Ze hadden het over ‘concepten’. Ze concipieerden met elkaar. Vandaar ook dat ze moeilijk kinderen konden krijgen. Dat was echt een serieus probleem daar in Verweggistan. Een ander probleem  waar ze tegenop liepen, was dat ze overal tegenop liepen, omdat ze niks zagen, zo met hun hoofd in de wolken.
Eigenlijk wilden ze vliegen, daar in Verweggistan. Ze keken neer op hun handen en liepen altijd op hun tenen in de hoop vleugels te krijgen, maar helaas ze kwamen niet echt van de grond.
De mensen uit Doe-land vonden de mensen uit Verweggistan zweverig en arrogant en de mensen uit Verweggistan vonden die uit Doe-land weer gewoontjes, veel te gewoontjes, een beetje dom eigenlijk.
De doe-landers hadden net zo goed viervoeters kunnen zijn, vonden ze in Verweggistan, want dieren bouwen ook nestjes en paren en maken geluid en zoeken voedsel.
Doe-land en Verweggistan lagen naast elkaar maar Doe-land leek dichtbij en Verweggistan leek altijd heel ver weg.

Nu was er eens een doe-lander die naar Verweggistan ging om een Verweggistanner om raad te vragen en dat was heel bijzonder want doe-landers vonden dat soort dingen eigenlijk overbodig. Bovendien zagen ze Verweggistan als heel ver weg zoals gezegd en de inwoners van dat land al helemaal niet als geschikt om raad te vragen. Ze waren toch nooit te bereiken en als ze ze toch vonden dan zaten ze met hun hoofd in de wolken en hun handen aan de knoppen van een apparaat dat voor hen van alles moest doen omdat ze zelf nu eenmaal niets wilden doen.
Maar nu werd er toch een keer een uitzondering gemaakt.
De moedige doe-lander ging naar Verweggistan en eenmaal daar zocht hij een Verweggistanner op achter een apparaat en riep: “Hallo, ik kom je om raad vragen!”
De Verweggistanner, als die de ander al hoorde, liet de doe-lander eerst heel lang wachten, want hij keek natuurlijk op hem neer en toen zei hij: “Hoe ben je de grens eigenlijk overgestoken?” Want de Verweggistanner wilde zelf wel vliegen maar hield er niet van als doe-landers grenzen overschreden. Zoiets, vonden ze in Verweggistan, was alleen voor henzelf weggelegd.
De doe-lander zei: “Goh, ik heb geen grens gezien, ik zag alleen maar land, maar wat me wel opviel, was dat ik opeens zoveel mensen zag met hun hoofd in de wolken, die me niet zagen of wilden zien”.
“Verdorie,” zei de Verweggistanner, “de grenswachten hadden hun hoofd er weer eens niet bij. Wat moet je, trouwens? Ik ben bezig, dat zei ik toch. Kom zo dadelijk maar terug”.
“Dat doe ik niet,”  sprak de doe-lander, “want ik ben er nu en ik leef op dit moment. Ik vraag je: hoe komen jullie toch zo met je hoofd in de wolken? Daar kan ik maar niet bij. Waar leven jullie nou toch van? Toch niet van de wind?”
“Nou,” zei de Verweggistanner, “ik heb eigenlijk geen zin om met jou te praten dat is zonde van mijn tijd, we hebben het namelijk altijd erg druk, maar goed, oké, nou we het er toch over hebben, we leven niet van de wind, maar wel van lucht, dat wel. Er zit bij ons overal lucht in, in onze begrotingen, onze economie (we halen veel uit een gasbel), onze beleggingen, ons bezit, 99 procent van ons huizenbezit is eigenlijk lucht, we wonen en leven dus eigenlijk in een bel”.
“Tjonge,” zei de doe-lander, “bellen blazen wij altijd weg, bij ons gaan zeepbellen altijd kapot”.
“Bij ons ook wel,” zei de Verweggistanner, “maar we streven er toch naar ze in de lucht te houden. We houden zoveel mogelijk bellen maar ook wel ballen in de lucht hier”.
Het ontzag van de doe-lander steeg met de minuut. “Hoe doe je  dat dan? Zijn jullie allemaal evenwichtskunstenaars, goochelaars?”.
“Nou je het zegt,” zei de Verweggistanner, “er komt een hoop magie bij kijken. Volwassenen lezen hier allemaal Harry Potter. Eigenlijk geloven we hier in alles wat bovenaards is als het maar boven aards is. Want we vertrouwen de grond waarop we staan niet erg. Je weet maar nooit, één struikel-partij en je ligt voor altijd. Idee, innovatie, ingewikkeld, i.q., ik, we houden hier erg van de i. De i wijst naar boven naar een punt in de lucht”.
“Goh,” zei de doe-lander, “wat grappig, wij zetten ergens juist vaak een punt achter, als we vinden dat het genoeg is . Als we vinden dat we genoeg hebben, genoeg voedsel, genoeg te drinken, genoeg sex, genoeg slaap, dan zetten we er een punt achter”.

De Verweggistanner begon ongeduldig te worden. “Hoor eens, doe-lander, je hebt nu al aardig wat beslag op mijn kostbare tijd gelegd, je bent illegaal onze grens overgestoken en nu zit je ook nog commentaar te leveren op onze voortreffelijke wetenschappelijk en technologisch onderbouwde, efficiënte levensstijl, dus kom nu maar snel met je vraag, want je wou me toch om raad vragen? Willen jullie eindelijk eens iets van ons leren? Hoe je je als mens kunt verheffen uit het keurslijf van de natuur en je eigen primitieve behoeften en instincten? Hoe je uit kunt stijgen boven dit aardse bestaan, het naar je hand kunt zetten door in te grijpen in de meest wezenlijke natuurlijke processen als geboorte en dood, voortplanting, de eigen genen zodat niets meer gevreesd hoeft te worden, de natuur niet, maar ook God niet, je bent immers zelf God geworden”.

“En elkaar?” zei de doe-lander, “vrezen jullie elkaar niet?”.
“Hoezo, elkaar, wat zouden we van elkaar te vrezen moeten hebben?”
“Nou, gewoon,” de doe-lander kon het even niet laten, “als je steeds met je hoofd in de wolken loopt en van lucht leeft, zie je elkaar niet meer, daar komen brokken van lijkt me. Op zijn minst botsingen. Maar wat me misschien nog belangrijker lijkt, wat vinden jullie kinderen daar eigenlijk van?”.

Even stond de Verweggistanner met de mond vol tanden en dat was heel uitzonderlijk voor een Verweggistanner. Hier werd het pijnlijk, zo besefte hij.
In Verweggistan werden immers heel weinig kinderen geboren. Ze kweekten er reageerbuisbaby’s en waren daar erg trots op, maar er was iets vreemds aan die baby’s .
Ze reageerden niet. Als je ze wou vasthouden, aanraken, voeren, reageerden ze niet, ze keken een andere kant uit. Ze huilden niet, maar lachten ook niet, ze waren afwezig.
En voorzover ze nog wel natuurlijke kinderen hadden, waren die juist weer overgevoelig.
Althans dat vonden ze daar in Verweggistan. Ze konden niet stilzitten, huilden aan één stuk door, verveelden zich altijd meteen en werden heel snel agressief bij de minste prikkel van buitenaf.
Adhd-kinderen werden ze genoemd. en ze werden aan uitgebreide onderzoeken en medicaties onderworpen maar leken daardoor alleen nog maar nog prikkelbaarder te worden.
De Verweggistanner negeerde de vraag dus maar en haalde zijn wenkbrauwen op.
“Je vraagt om raad?” zei hij alleen maar.
“Mijn vraag om raad gaat namelijk over het volgende,” zei de doe-lander, “onze kinderen hebben twee rechterhanden, ze kunnen veel, ze doen ook wel veel, we houden van ze, en toch hunkeren ze maar steeds naar Verweggistan. We worden er voortdurend over lastiggevallen: pap, mam, wanneer gaan we nu eens naar Verweggistan?
Ze vinden jullie land een soort sprookjesland, alles moet er mooier, interessanter, spannender zijn dan bij ons, ze vinden ons, hun ouders, hun land, zo gewoontjes omdat alles er ook zo gewoon is. Natuurlijk wij hebben ook onze problemen, maar die zijn er dan om aan te pakken en als we er niets aan blijken te kunnen doen, dan zijn ze dus gewoon en moeten we ze accepteren. Nu is mijn vraag om raad de volgende: Denk je onze situatie eens in. Wat zou jij onze kinderen adviseren? Om naar jullie land toe te gaan? En daar met eigen ogen te zien hoe al die hoogdravendheid er alleen toe leidt dat jullie volwassenen wegzweven op luchtbellen, geloven in magie van het soort Harry Potter, en alleen nog kinderen hebben die niet meer of juist teveel reageren? Maar om dat te zien en te ervaren moet je de grens, die fictieve grens die jullie hebben gemaakt over, en als ze die oversteken zijn ze illegaal en worden ze opgepakt en vastgezet of het land uitgezet want jullie laten je niet benaderen, dus blijven jullie een ideaal en blijven wij lastig gevallen worden met een ideaalbeeld dat doorgeprikt zou kunnen worden als jullie je grenzen zouden openstellen maar als jullie dat echt zouden doen, zou er iets fundamenteel veranderen en zou Verweggistan Verweggistan niet meer zijn. Beste Verweggistanner, hoe los ik dit probleem toch op?”

Maar zijn gesprekspartner was er al niet meer. Het leek wel of hij was opgelost in de zeepbellen die overal in het vertrek ronddansten, zo zag de doe-lander nu.
Wel voelde hij dat hij door twee paar sterke handen werd opgetild en toen hij in de gezichten keek die daarbij hoorden zag hij doe-landers. Maar deze doe-landers keken langs hem heen, ze zagen hem niet meer, ze waren eens opgepakt en nu instrumenten geworden ten behoeve van Verweggistan.

Ze tilden hem op en droegen hem tot over de grens en daar bleven ze staan als wachters, onbewogen grenswachters tussen Doe-land en Verweggistan.

Gemak dient de mens; sprookje van deze tijd

Gemak dient de mens

Er was eens een land, waarvan de inwoners elkaar steevast groetten met de uitdrukking: ‘Gemak dient de mens’. Ze zeiden dat ook vaak zomaar als stoplap als ze niks anders meer wisten te zeggen of als ze afscheid namen.
Ze hadden maar één partij op wie ze stemden en die partij had maar één motto en dat was: Gemak dient de mens!

Dus eigenlijk hoefden ze helemaal niet te stemmen wat misschien nog wel makkelijker was, maar de meerderheid vond toch dat stemmen belangrijk was, want als je stemde had je het gevoel dat alles eerlijk verliep volgens de wensen van het volk, en dat was een stuk makkelijker dan niet stemmen en ontevreden worden en allerlei ongeregeldheden te krijgen.
In dat land deed niemand de afwas, daar had je een apparaat voor, niemand fietste of wandelde meer want je had toch een auto waarmee je je kon verplaatsen en die auto hoefde je ook niet te besturen want dat ging allemaal automatisch.
Brieven werden niet meer geschreven of verstuurd, dat was allemaal te veel werk.
Je richtte je ogen op een scherm dat dan je gedachten las en dat dan digitaal doorzond aan de betrokkene.
Soms moest je dan nog wel even wat corrigeren want per ongeluk dacht je soms onaardige dingen waarvan je niet wou dat de ander ze doorkreeg.
Kinderen konden nooit meer zoekraken want ze hadden een geïmplanteerde chip, wat heel makkelijk was.
Alles en iedereen was ook digitaal op elkaar aangesloten, zodat als je met iemand te maken kreeg je meteen wist wat voor vlees je in de kuip had.
Je kreeg nooit meer algemene informatie te zien maar alleen de informatie die bij jou paste en die jou interesseerde.

Zo kreeg een man die van lekker eten hield allerlei lekkere recepten te zien die dan speciaal waren afgestemd op zijn voorkeur. Iemand die van voetballen hield kreeg  precies te zien wanneer de club van zijn voorkeur speelde.
‘Je had nergens omkijken naar,’ zo noemden ze dat in dat land.
Je hoefde dus niet meer om te kijken of de verwarming wel hoog of laag stond, want die stond altijd op de door jou gewenste stand. Dat was allemaal ook gedigitaliseerd en afgestemd.
De digitale agenda was afgestemd op de verwarming zodat de verwarming laag ging als je ’s avonds weg moest. Maar als er meer mensen in één huis woonden kon dat wel eens moeilijker worden natuurlijk. Dan moesten de agenda’s wel even op elkaar worden afgestemd, anders ging de verwarming bv uit terwijl er toch iemand thuis was.
Dat vond men in dit land al een heel probleem waar een oplossing voor gevonden moest worden..
Alles ging elektrisch in dat land of eigenlijk digitaal, maar digitaal betekende ook elektrisch want al die apparaten en hun batterijen moesten opgeladen worden.

Dat vond men eigenlijk nog het lastigst in dat land.
Want het kon betekenen dat er opeens iets het niet deed omdat het niet was opgeladen, bv een auto of een draagbaar scherm, waarvan er erg veel soorten waren en dan wist je opeens niet meer hoe het verder moest, met wie je had afgesproken of met wie je contact moest opnemen of waar je moest zijn en welke route je moest nemen of waar je kinderen uithingen.
Het was dus heel belangrijk in dat land dat je altijd opgeladen was, zo heette dat.
En natuurlijk bedoelde men niet dat je zelf opgeladen was, want dat vond men daar erg hinderlijk. Opgeladen mensen moesten hun energie kwijt die moesten ontladen natuurlijk bv door middel van seks, maar dat was erg ouderwets, daar had je een ander voor nodig en dan werd je veel te afhankelijk, kon ook gewoon heel makkelijk door middel van een ontlader die iedereen bij zich had.
Dan ontlaadde je even en daarvan hoefde eigenlijk niemand iets te merken.
Maar belangrijker was dat jijzelf of liever de apparaten om je heen en ook in jezelf want steeds meer mensen liepen met apparaten in zichzelf bv een pacemaker, een hormoonregelaar, een bloeddrukregelaar, een vocht- en temperatuurregelaar en een emotie-regelaar, opgeladen waren.
Terwijl het volk er altijd van uitging dat gemak de mens diende en dus dat alles opgeladen moest zijn zodat ze volledig onafhankelijk waren hadden ze toch een ding over het hoofd gezien want waar moest al die energie vandaan komen???
Daar braken heel wat geleerden zich het hoofd over.
Tot tenslotte een jongen van 16 jaar iets heel slims zei. Hij zei: waarom doen we het niet zo dat alle lading die we aan energie als mens bij ons hebben wordt overgeladen naar apparaten, dat is toch veel makkelijker???
Die energie die wij hebben kunnen we eigenlijk toch niet echt kwijt.
Waar zouden we nog die energie in kwijt kunnen?
Kinderen kunnen niet buiten spelen want daar is veel verkeer, veel te gevaarlijk. Als ze veel energie hebben zijn ze vaak lastig in de klas of thuis, breken dingen, zijn te wild, helemaal niet makkelijk.We geven ze pillen om rustig te worden.
Maar ook volwassenen, die veel energie hebben moeten dat kwijt, ze gaan zich met van alles bemoeien bv hoe het met anderen gaat, wat voor regels er gelden, of ze gaan zich te buiten aan van alles en nog wat.
Zelfs al die topsporters raken helemaal gek van de prestaties die ze moeten leveren , gaan aan de dope of worden overspannen, nee het is veel makkelijker juist ook bij sporters om hun energie af te tappen en over te laden in onze apparaten zoals robots, want robots kunnen immers ook aan sport doen en hun prestaties zijn juist omdat het machines zijn veel beter dan die van ons.

‘Laten we als mensen al onze energie gewoon letterlijk steken in en overgeven aan robots, die voor ons het leven veel makkelijker maken!’ zei de jongeman die Wolf heette. Hij kreeg een grote aanmoedigingsprijs en men vond wat hij zei het ei van Columbus!
Dus vanaf dat moment kregen alle mensen een apparaatje waarmee ze hun eigen energie konden aftappen en gebruiken voor hun apparaten.
Dat ging een hele tijd goed. Iedereen tevreden, niemand meer afhankelijk.
Tot dat er een periode kwam dat de mensen van dat volk geen energie meer hadden.
Ze werden aangemoedigd om heel gezond te leven zodat ze veel energie hadden om af te tappen, ze mochten niet dik meer zijn of te veel eten of drinken, suiker en zout was verboden verklaard en kon je niet meer krijgen, terwijl suiker toch ook een bron van energie was.
Maar niets hielp, het volk werd slap en moe en kon zich nauwelijks nog voortbewegen. Geen mens was ook meer echt geïnteresseerd om energie af te tappen voor apparaten want hen interesseerde die apparaten niet meer. Waarom ook? Waar zou je je eigenlijk druk over maken? Je ging uiteindelijk toch wel dood.
Sommigen probeerden nog iets tegen de dood te vinden zodat je dan het eeuwige leven had maar de meesten vonden dat inmiddels geen wenkend perspectief meer.
Juist omdat ze zo moe waren hadden ze nergens meer zin in, ook niet meer in leven.
Er sprongen er steeds meer van de daken, vermagerden zienderogen, wilden niet meer eten en drinken en verwaarloosden zichzelf.
Zo ging het niet meer, vond de president van dat land die altijd verdedigd had dat gemak de mens diende, maar nu wel met de gebakken peren zat.
Hij ging op bezoek bij Wolf, die inmiddels 21 was.
‘Wolf,’ zei hij, ‘kun jij er alsjeblieft iets op vinden want zo gaan ze allemaal dood en hebben we dadelijk helemaal geen mensen maar erger nog geen apparaten meer!’. ‘Waarom,’ zei de slimme Wolf ‘zou dat eigenlijk erg zijn dat er geen apparaten meer zijn die opgeladen moeten worden?’ En toen kwam er opeens een aap uit een mouw, zomaar hij kroop er zomaar uit.

De president moest nu wel aan Wolf toegeven dat al die apparaten van hem waren, dat hij een bedrijf had waar ze allemaal waren gemaakt en dat als er geen apparaten meer zouden zijn hij brodeloos zou worden.
Wolf riep: ‘Maar dat betekent dat niet het gemak de mèns dient maar alleen maar uzelf dient!’
Dat moest de president nu toegeven, hij kon niet anders. En Wolf zei: ‘Dan gaan we de heleboel herijken! Gemak dient de mens niet langer maar juist ongemak. We zorgen gewoon voor een heleboel ongemak en daar hoeven we niet zoveel voor te doen want dat is er nu eenmaal als je leeft. Leven en laten leven wordt nu het credo!’ De president mompelde nog wat: ‘Ja, maar wordt het dan niet zo dat de ene mens de wolf wordt van de ander??? Want als je het aan mensen overlaat…’ De president had namelijk helemaal geen vertrouwen in mensen maar eigenlijk vooral niet in zichzelf, want dat hadden zijn ouders er nu eenmaal bij hem ingepeperd.
Wolf lachte zijn tanden bloot en riep: ‘Haha, je zou misschien denken dat ik zo over mensen denk als Wolf zijnde, maar ik heb net gezegd, je moet het over een hele andere boeg gooien president!’
De president liet het hoofd hangen en zei : ‘Wolf je hebt gelijk. Weet je wat: jij moet maar president worden, dan kun je zelf aan de mensen vertellen dat we een heel ander uitgangspunt gaan hanteren’. Dat lijkt misschien gek omdat hij daarmee de macht zomaar uit handen gaf maar ook super-machtigen kunnen moe worden van hun macht, doodmoe zelfs.

En zo kwam het dat Wolf vanaf een groot balkon en niet op een scherm, dat moest worden opgeladen, tegen de mensen zei dat vanaf dat moment ieder mens belangrijk was. Leven en laten leven daar ging het vanaf nu om, zei Wolf, en de mensen die nog erg moe waren en hangerig hoorden hem wat depri aan, maar dachten al wel: Ach dat klinkt wel prettig, we hoeven onszelf niet meer zo te forceren, we mogen gewoon zijn die we zijn en we hoeven niet steeds apparaten op te laden.
Er ging een zucht van rust door het land.
Men liet even de boel de boel, kwam op adem en dus op energie en begon weer plezier in dingen te krijgen en zo kwam het dat als je in dat land kwam je allemaal mensen zag die dingen aan het oppakken waren in plaats van op te laden of te ontladen en ze leefden met vallen en opstaan, maar dat hoorde erbij vond men.

Het land waar de markt werkt; sprookje van deze tijd

In deze vakantietijd zult u op deze pagina sprookjes van deze tijd aantreffen ipv de gebruikelijke blogs. De afgelopen week ben ik daar al mee begonnen. Zoals u als lezer begrijpt gaat het hierbij om fictie en dus niet om de non-fictie die u van mij bent gewend.

Het land waar de markt werkt

Er was eens een land, waar ze geloofden in marktwerking, zo noemden ze dat. Niet de mensen op de markt werkten maar de markt zelf werkte vonden ze daar. Zo begroetten ze elkaar ook. Ze zeiden niet: “Goede dag”, maar “Goede marktwerking”, en vlak voor het eten hadden ze de gewoonte om naar hun bord te kijken en tegen elkaar te zeggen: “Wat werkt de markt toch vandaag weer goed voor ons”.

Marije was in dat land geboren , een slim meisje dat net haar tiende verjaardag had gevierd en veel cadeautjes had gehad, ook allemaal cadeautjes die ze eigenlijk niet nodig had en die ze aan haar buurmeisje had gegeven. De vader van het buurmeisje dat Mirthe heette had opeens zijn baan verloren en toen Marije dat had gehoord had ze aan haar vader die directeur van een bank was gevraagd: pap, waarom heeft de vader van Mirthe zijn baan verloren? Is dat ook marktwerking?
De vader van Marije was groot en stevig, kreeg eigenlijk al een buikje, dat hij meestal inhield maar bij diners met zakenmensen lekker voluit kon laten hangen onder tafel. Zijn vrouw, de moeder van Marije, was klein en slank en als ze bij zulke diners naast haar man zat pestte ze hem een beetje door juist dan even onder tafel haar hand op zijn buik te leggen.
“Natuurlijk schat,”  zei de vader van Marije, “als de vader van Mirthe zijn baan verliest is dat marktwerking. Weet je waarom? Omdat hij in een fabriek werkt waar auto’s worden gemaakt en auto’s kunnen tegenwoordig goedkoper in andere landen worden gemaakt omdat degenen die in de fabriek werken daar minder kosten en mensen willen nu eenmaal liever minder betalen voor een auto als die auto even goed is. En dat geldt ook voor robots, robots zijn goedkoper dan mensen en dan zetten ze robots in de fabriek die het werk van mensen kunnen doen en dat willen de kopers van auto’s liever want ze willen nu eenmaal graag minder betalen voor eenzelfde kwaliteit”.

“Maar pap,” zei Marije die niet op haar achterhoofd was gevallen, “als de mensen nu weten dat hun buurman of vriend of vader wordt ontslagen als ze minder geld betalen voor een auto zouden ze dan niet meer willen betalen zodat iedereen toch werk heeft en dus ook een auto zal kunnen betalen zodat er juist meer auto’s komen en meer mensen kunnen werken?”.
De moeder van Marije mengde zich in het gesprek en hoorde de laatste zin. De moeder van Marije was milieubewust, en riep: “Hè bah, nog meer auto’s en er zijn er al zoveel, al die vervuiling, we moeten juist minder auto’s hebben”. Marije dacht meteen: en jij dan, waarom moet jij een klein mini-tje, pap heeft toch al een auto, maar ze hield haar mond maar want ze kende haar moeder, daar viel niet tegen op te praten.
Haar vader ging nog even door en zei: “Marije, kijk dat is nu het verschil, als ik werkeloos zou worden omdat bv de bank failliet raakt is dat geen marktwerking dan springt de overheid bij, ze zijn veel te bang dat de mensen dan al hun geld kwijt zijn, maar als de vader van Mirthe werkeloos wordt wel”.
Marije wilde al meteen weer een vraag stellen maar zag dat haar vader naar haar knipoogde. Haar vader maakte een grapje. Hij maakte wel vaker grapjes die ze de helft van de tijd niet begreep, maar haar moeder zei vaak: kind, je vader heeft humor en dat was iets moois begreep Marije, dus vroeg ze maar niet verder.

Maar vanaf dat moment hield het haar bezig. En ze begon heel goed op te letten. Ze had van haar vader begrepen dat alles in deze wereld draaide om vraag en aanbod. Bij de marktwerking ging het om de vraag, de vraag was nu eenmaal zus of zo en daar voegde zich de wereld naar.
Marije begreep dat de vraag ook iets te maken had met behoeften en ze testte het op haar moeder uit: “Mam, ik heb vandaag heel erg veel behoefte aan een taart met veel slagroom en mooie versierselen erop”.
Haar moeder reageerde meteen en zei : “Kind een taart, hoezo je bent toch niet jarig, dat duurt nog even en veel slagroom is ongezond dat weet je toch?”.
Die avond toen de vader van Marije thuiskwam kon ze niet wachten om haar vader te vragen: “Pap, hoe komt het dat er zoveel ongezonds in dit land is, drank, snoep, ongezonde frisdrank, auto’s terwijl het veel gezonder is om te lopen, ongezonde spelletjes waar je verslaafd aan kan raken zodat je je huiswerk niet meer doet? Is dat misschien ook de marktwerking en als dat zo is, omdat mensen graag ongezonde dingen eten en doen, moet je dat dan juist niet tegengaan? Is marktwerking soms ongezond?”.

Haar vader begon meteen te lachen: “Van wie heb je die wijsheid, Marije” zei hij. “Je zal nog eens zien, er schuilt een econoom in dit kind” zei hij trots meer tegen haar moeder dan tegen haar. “Pap”, zei Marije, “je hebt nog geen antwoord gegeven”.
“Schat”, zei haar vader en trok haar op schoot,” we leven hier in een vrij land en dat kan betekenen dat mensen ongezonde dingen doen of willen hebben. Dat moeten we respecteren,” zo noemen we dat.
Marije weer: “Maar als ze nou eerder doodgaan of hun school niet af kunnen maken omdat ze aldoor computerspelletjes zitten te doen?” “Kijk,” zei haar vader “dat is opvoeding: ouders moeten zorgen dat hun kinderen niet verslaafd raken maar als ze eenmaal volwassen zijn, tja dan ga je er zelf over”.

Marije was nog niet tevreden gesteld. “Maar pap, als we er nu voor zouden zorgen dat in de supermarkten gewoon alleen gezonde dingen te koop zijn, dus niet al die conserveermiddelen en suikers in producten, dan had je toch minder dikke mensen en dan leefde iedereen toch langer en gelukkiger?”.
“Schat,” zei haar vader, “jij bent een idealist, dat is mooi, die moeten er natuurlijk ook zijn, maar pas op voor dogmatisme hè. Want als dogmatici het voor het zeggen krijgen nou berg je dan maar dan mag je dadelijk helemaal niks meer, dan komt de politie aan huis als je een kilootje suiker in je keuken hebt staan, haha,” en hij sloeg op zijn knieën van het lachen. Marije’s vader vond zijn eigen grappen vaak erg leuk. Marije schaamde zich op zo’n moment voor hem, want ze zag aan andere mensen dat ze hem dan niet konden volgen of zijn grappen niet zo leuk vonden als hij ze vond.
“Maar als Mirthe’s pappa geen werk meer heeft omdat we geloven in de marktwerking dan zijn we toch ook dogmatici,” vroeg Marije aan haar vader, die haar onmiddellijk van zijn schoot zette en tegen haar moeder zei: “Dit kind wordt veel te wijsneuzig, van wie zou ze dat nou toch hebben”.

De moeder van Marije, die net was thuisgekomen van een vergadering van één van haar besturen, want de moeder van Marije was in heel veel besturen gevraagd omdat ze allemaal dachten dat zij er misschien voor kon zorgen dat hun eeuwige geldprobleem via haar man kon worden opgelost, schudde haar hoofd. Dat betekende altijd: laat maar, hier heb ik ook geen antwoord op.
“Kind , heb je je huiswerk al af?” vroeg ze maar. Dat was net zoiets als marktwerking, een zin, een woord dat je altijd te pas en soms te onpas kon gebruiken, vond Marije. “Ja hoor,” zei ze maar. Ze wou eigenlijk zeggen dat ze school stom vond, dat je er niks leerde en dat ze op de echte vragen die je had geen antwoord wisten, nog sterker, die vragen kwamen helemaal niet er sprake. De school leek je wel af te leiden van alle echte vragen en antwoorden. Een manier om je bezig te houden zodat je juist niet teveel vragen ging stellen en met feitjes stampen en gewenste antwoorden geven je tijd ruimschoots kon vullen en ook nog goede cijfers en waardering kon behalen.

Toen Marije ouder werd koos ze voor de goede cijfers en de waardering ook al omdat ze van haar ouders hield en merkte dat haar vader kwaad werd als ze zulke moeilijke vragen stelde en haar moeder afstandelijker deed, kortom dat ze haar ouders van wie ze erg veel hield kwijt raakte met “haar moeilijke gedoe” zo noemden ze dat.
En ze ging na haar middelbare school economie studeren en communicatiewetenschap en haar ouders waren trots op haar en vertelden iedereen over hun knappe dochter die tegenwoordig werkte als directeur bij een marketing- en tevens internet-verkoopbedrijf dat gespecialiseerd was in profiling van potentiële klanten. Dat betekende dat over iedereen zoveel mogelijk gegevens werden verzameld om er achter te komen wat ze misschien zouden  willen kopen of waaraan ze misschien behoefte zouden kunnen hebben en dan benaderde dat bedrijf die mensen persoonlijk dat wil zeggen op hun IP-adres dat eigenlijk belangrijker was geworden dan een huisadres met aantrekkelijke aanbiedingen.
Als die mensen dan ingingen op die aanbiedingen had je kans dat ze kopers bleven, dan had je ze als klanten ‘gestrikt’ en dat was wat ze noemden de target van dat bedrijf: klanten ‘strikken’, er een strik om doen en dan konden ze geen kant meer op, dachten ze daar bij dat bedrijf.
Marije ontmoette er ook de vader van haar kinderen. Ze kregen een jongen en een meisje en dat meisje dat ze Mirthe noemden naar Marije’s vroegere buurmeisje vroeg aan haar moeder toen ze 10 jaar was: “Mam, wat bedoelen ze toch met marktwerking?” En toen Marije zei: “dat is heel simpel schat: de markt dwz de vraag bepaalt het aanbod,” vroeg Mirthe: “Maar mam je hebt me toch zelf verteld dat jij ervoor zorgt dat mensen een vraag hebben en dat ze zonder jullie misschien helemaal niet zoveel vragen of behoeftes hebben? En jullie zijn toch eigenlijk ook tegelijk aanbod? Is dat nou wel eerlijk mam?”.

Marije kreeg opeens een rood hoofd en bedacht dat ze ooit zelf dat soort vragen had gesteld aan haar ouders, maar ze wist niet wat ze moest zeggen dus zei ze maar: “Mirthe, heb je je huiswerk al gemaakt?”.

Iedere dag genieten; sprookje van deze tijd

Op tram en bushaltes zag ik een tijdje terug de volgende tekst staan: Dit jaar meer genieten en toch geld overhouden: Iedere dag genieten!
Stel dat over honderd jaar, als de aarde nog bestaat, robotten die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van de mens, die hen per slot van rekening gemaakt heeft, deze teksten vinden.
Wat zouden ze dan over de mens denken?
We laten hier even de robotten aan het woord:
“De mens was een species, dat genieten belangrijk vond en daarom ons uitvond. Dan hoefden ze niet meer te werken, lieten ons het vuile werk opknappen en hielden zich vervolgens alleen bezig met wegvliegen.
Zo ver mogelijk wegvliegen liefst naar een andere planeet.
Zo gingen ze dus met zijn allen naar de maan”.

Maar wat als die robotten ook nog andere teksten vonden zoals: “Je moet in het zweet des aanschijns de kost verdienen”.
Hoe was het één met het ander te combineren? De robotten die eigenlijk cyborgen waren, dus ook nog wat menselijks hadden, braken zich er hun sturingsmechanisme over.
Maar ze kwamen er niet uit.
Dus vroegen ze de Cyborg God om hulp. Die bestond namelijk en had het wereldbestuur overgenomen nadat de mensen er een zooitje van hadden gemaakt en bijna alles wat leefde dreigden te vernietigen.
Hij was trouwens ook een Zij en had zichzelf uitgeroepen tot Messias, de Messias waar iedereen eigenlijk al sinds mensenheugenis op zat te wachten.
De mensen, althans wat er van hen over was,  waren dus zoals dat heette ‘kalltgestelt’.
Ze zaten vast in inrichtingen, dierentuinen en werkkampen en dienden tot vermaak van de cyborgen. De cyborg God velde Zijn/Haar oordeel: De mensen, zei Hij/Zij, hebben hun tijd gehad.
Zij konden niet overweg met hun sterfelijkheid en verzonnen van alles om aan die sterfelijkheid te ontkomen zoals een hemel, een hel, en allerlei geboden.
Dat hield hen bezig en zo konden ze denken dat ze misschien toch goed terecht kwamen na dit leven.
Een andere route voor wie daar niet in geloofde was de afleiding geweest: gewoon genieten liefst door weg te vliegen, weg van de werkelijkheid van alledag, van oorlogen, honger en armoede en dat noemden ze dan “In het NU leven”. Maar zo simpel was dat niet.
Genieten bleek desastreus voor moeder aarde, die al dat genot niet aankon en terugsloeg met overstromingen, aardbevingen, tornado’s en andere rampen.
De ene helft van de mens werd op die manier weggevaagd en vluchtte naar andere gebieden. De andere helft in andere gebieden bouwde muren om die stroom vluchtenden tegen te houden en probeerde nog meer te genieten door steeds vaker weg te vliegen, wat alleen nog maar meer rampen veroorzaakte.
En tenslotte was er nog de weg van de zelf-opheffing. Dus niet verheffing zoals bij vliegen maar opheffing.
De mens die zo ingenieus in elkaar stak dat geen mens hem na kon maken beschouwde het nu als grootste uitdaging om een machine te maken die de mens overtrof en hem overbodig maakte.
Onbegonnen werk natuurlijk want die machine zou nooit zo dramatisch worden als de mens en dat was nou net het bijzondere.
Zo dacht de Cyborg God en alleen al zijn/haar denken was genoeg om alle cyborgen tevreden te stellen.
En ze waren blij dat ze niet zo waren als die ingewikkelde mens en niet bang waren dood te gaan of een liefde te missen of niet goed genoeg te zijn, tekort te schieten.
Blij, ja blij, niet blij zoals een mens blij kon zijn natuurlijk, maar piepjesblij,zo heette dat.
En ze leefden nog lang en piepjesblij totdat hun draadjes versleten en ze gewoon aan vervanging toe waren.

Woede en introspectie

Overal is woede.
De gele hesjes zijn woedend, oorspronkelijk vanwege de extra belasting op benzine, maar ze blijven woedend, ook nu dat probleem lijkt te worden opgelost.
Hun woede is zelfs overgeslagen naar Nederland. Uit woede gaf een mevrouw met een geel hesje Rutte geen hand.
De me too-beweging is een uiting van woede want vrouwen pikken het niet langer om seksueel misbruikt, geïntimideerd of op een onprettige manier benaderd te worden.
Als van de opgestapte Özdil van de GroenLinks-Tweede Kamerfractie maar enigszins was aangevoerd door Jesse Klaver dat zijn onaangename gedrag iets met de dames te maken had gehad (of dat nu waar was of niet), was dezelfde Özdil in plaats van Klaver door M (Margriet van der Linden) gefileerd tijdens haar programma.

Zonder veroordeeld te zijn in rechte, veroordeeld worden en plein public dat is wat de woede doet en voedt.
Woedend zijn ook al diegenen die op sociale media anderen  met de vreselijkste dingen bedreigen omdat ze iets anders zeggen of doen dan de bedreigers willen horen of zien.
Het recht is geen optie meer voor hen.
Een rechtsgang is duur en duurt lang en als je je zin toch kunt krijgen door iemand te bedreigen is dat wel zo effectief.
Zo maakt een bedreigde ondernemer geen zonnepanelen meer en houden journalisten in precaire zaken maar liever hun mond, zeker als ze kinderen hebben.
We hechten zo aan vrijheid van meningsuiting maar de (geuite) woede (ik denk hierbij nu niet speciaal aan de belediging van een profeet die woede opwekt) is de grootste belager daarvan.
Dan zijn er nog de vreemdelingenhaters, de gekwetste en boze witte mannen of al diegenen die woedend zijn op de elite, het kapitaal, het systeem, Macron, Europa, vrouwen, homo’s, joden, moslims, maar ook witte heterogene mannen.

Al diegenen kan ik aanraden het boek van Edith Eva Eger te lezen: De keuze. Leven in vrijheid. Eger die Auschwitz en een dodenmars heeft overleefd en letterlijk als bijna-lijk uit een berg lichamen is gevist heeft bijzondere adviezen voor hen die woedend zijn op de ander en zich slachtoffer voelen. Ze heeft er zelfs als psycholoog haar leven aan gewijd.
Mèt Victor Frankl, die De zin van het bestaan schreef, een boek dat mijn leven veranderde, evenals zij overlevende van Auschwitz en psycholoog, wijst zij erop hoeveel je zelf kan doen aan de situatie waarin je verkeert (ook heel wat minder extreem dan Auschwitz) niet door deze de schuld te geven van een mislukt leven of door anderen de schuld te geven dat ze je leven hebben verwoest maar door je houding te veranderen.
Zowel zij als Frankl stellen dat in welke afgrijselijke situatie je ook verkeert je een keuze hebt. Als je bv zoals Eger deed een brood krijgt van Mengele omdat je voor hem danste terwijl hij net je moeder naar de gaskamers stuurde kan je dat brood zelf opeten maar je kan het ook delen met anderen.
En dat is precies wat ze deed. Later bleek juist dat gebaar cruciaal want toen ze tijdens de dodenmars bijna viel en niet meer overeind zou komen, tilden zij met wie ze haar brood had gedeeld haar op en redden haar zo.
Het is een bijna bijbels verhaal.
Niet simpelweg eigenbelang en voor jezelf opkomen redt een mens maar coöperatie, hoop en liefde, zoals duidelijk wordt uit het boek van Eger.
Maar ook: wat in je hoofd zit, je gedachten maar ook je verbeelding, kan niemand je afnemen. Denken aan een geliefde, zoals Frankl deed kan een mens redden in een mensonterende situatie.
Met die wijsheid ben ik ook zelf opgevoed en Eger haalt in haar boek haar moeder aan.

Stel nu dat al die woedende mensen de woede niet bij de ander of de situatie maar bij zichzelf zouden zoeken, bij de ontevredenheid die ze van binnen hebben.
Stel dat ze zich naar binnen en niet naar buiten zouden keren, dat ze aan zelfonderzoek zouden doen?
Dat ze zouden constateren dat ze zichzelf niet accepteren, dat hun woede hen gevangen houdt evenals de overtuiging en gevoelens waar ze hun hele leven al mee rondlopen zoals dat er niets is wat hij of zij doet wat hem of haar in zijn of haar eigen ogen goed genoeg maakt om iemands liefde waard te zijn? (zie pag 228 onderaan.)
En stel dat ze na dat zelfonderzoek zichzelf zouden accepteren en waarderen…
Dat ze hoop en liefde zouden toelaten?
Dat ze de ander die hen leed heeft bezorgd zouden kunnen vergeven zoals Eger deed maar ook zichzelf als zij een ander wat hebben aangedaan.

Ik eindig met een citaat:
“We kunnen er niet voor kiezen de duisternis te laten verdwijnen maar we kunnen ervoor kiezen het licht te koesteren” (pag 1).

In shock

Na de schok die door ons land ging toen Ajax landskampioen werd en Duncan het songfestival won, stond deze week volledig in het teken van: In shock.

De Noord- Oost Groningers waren natuurlijk in shock toen ze ondanks de afname van de hoeveelheid gas in hun gebied voor de zoveelste keer werden geconfronteerd met een aardschok van 3.2, maar ze werden in het nieuws volledig overvleugeld door de shocks uit Den Haag.

Het begon er al mee dat de Tweede Kamer in shock was toen bleek dat bij de Rapportage Vreemdelingenketen, waarin voor het eerst op basis van politiecijfers een landelijk overzicht was gemaakt van incidenten waarbij asielzoekers als verdachte werden aangemerkt, doodslag en moord onder het kopje “overige” werden verdonkeremaand.

Het deed me denken aan de tijd dat ik voor de PvdA in de gemeenteraad van Leiden zat en politiehonden (waar ik als lid van de Politiecommissie tegen was) onder het kopje “roerende zaken” op de begroting werden opgevoerd.
Harbers bood zijn excuses aan en trad onmiddellijk af. Zo hoopten ze bij de VVD dat de partij vlak voor de verkiezingen geen gezichtsverlies zou lijden.

Degenen die het hoofd koel hielden, zoals de journalisten Sheila Sitalsing en Irene de Zwaan lieten in de Volkskrant zien dat van die moorden wat in feite pogingen waren, slechts 1 persoon daadwerkelijk het leven liet.
Eric Slot die alle moorden in Nederland bijhoudt in zijn Moordatlas constateert dat er in 2018 geen moorden door asielzoekers zijn gepleegd.
In feite ging het vooral om geweld bìnnen asielzoekerscentra waar de spanningen heel erg op kunnen lopen.
De conclusie had hierbij dus niet moeten zijn dat Harbers af moest treden, maar dat asielzoekerscentra een veiliger plek zouden moeten worden. En ik denk hierbij vooral ook aan vrouwen en lhbt-ers

Over vrouwen gesproken, Grapperhaus liet bij M (Margriet van der Linden) weten dat hij met een wetsontwerp bezig is waar diegene strafbaar is die seksuele handelingen pleegt waarvan hij kan vermoeden dat ze niet op prijs worden gesteld. Het gaat dan niet langer om geweld maar om (on)vrijwilligheid. Vrouwen zouden volgens Grapperhaus in shock kunnen raken bij ongewenste intimiteiten en bevriezen. Dan vallen ze niet onder de huidige wetgeving. Volgens hem zijn omstandigheden erg belangrijk.
Naar mijn idee zijn de omstandigheden binnen het huwelijk met name heel geschikt om deze onvrijwillige situaties te creëren. Vroeger spraken ze dan over “een peertje schillen”, u begrijpt wat ik bedoel, of gewoon als je man na een uitputtende werkdag zich even wil ontladen, dan maar even aan iets anders denken of bevriezen.
Voorzover deze vrouwen überhaupt aangifte zouden willen doen komen ze op de stapel van de 25.000 waar de politie nu al niet aan toekomt.

En wat te denken van de shock die Rutte veroorzaakte toen hij op een vmbo-school Baudet uitdaagde voor een tweegevecht (nee geen ouderwets duel maar een 1 op 1 debat).*
Vervolgens de shock bij de NPO die hierin moest voorzien terwijl het kemphanen betrof die de NPO het liefst zouden decimeren (de één vanwege zijn “markt”-standpunt de ander omdat ze daar te links zouden zijn).
En natuurlijk de shock bij de andere politieke partijen die werden kalltgestelt door rechts en extreem rechts.
En tenslotte de grootste shock van allemaal toen bleek dat Frans Timmermans er met de buit vandoor ging.
Arjen Noorlander van Nieuwsuur, die steeds vaker wordt geconsulteerd (door Nieuwsuur, misschien krap bij kas?) was ervan overtuigd  dat het alleen nog maar tussen de VVD en Forum voor Democratie zou gaan, maar nee hoor de kiezers bleken althans in de exitpolls volledig onverwacht het progressieve geluid van Timmermans te honoreren.
Hij probeerde nog een beetje zijn gelijk te halen door in zijn commentaar  aan deze winst wat af te doen (het was een éénmansactie van Frans geweest, had niks met de PvdA te maken en hij had in zijn eentje met zijn overwinning heel links leeg-getrokken) maar jammer voor Arjen, behalve de PvdA had ook Groen Links alwéér gewonnen.
Soms lijkt het of de zgn linkse media zoals ze door rechts worden genoemd overijverig zijn in het benadrukken van het succes en belang van het “gesundes Volksempfinden”.

Zo werd tijdens het lijsttrekkersdebat wat voorafging aan het door fans van beide partijen gelardeerde spektakel, een geel hesje opgevoerd, de heer Tuyn, die als een soort BN-er een belangrijke evaluerende rol kreeg toebedeeld.
Waarom dan niet een succesvolle Syriër daar neergezet?
Het antwoord is simpel: goed nieuws is geen nieuws. Al die goed geïntegreerde  vluchtelingen maar ook de vrijwilligers die zich, zoals in mijn wijk, voor hen inzetten delven het onderspit ten opzichte van de “boze” gele hesjes.

Ik ben een Hesje maar geen gele, ik ben een rood Hesje en evenals de positief ingestelde en kennelijk ondanks verdachtmakingen overtuigende Frans Timmermans kom ik daar rond voor uit.
Ik dank Frans en al zijn kiezers met heel mijn hart voor het feit dat ze mij weer hoop hebben gegeven, de hoop dat in Europa het verstand, oprechte betrokkenheid, rechtvaardigheid en menselijkheid toch zullen overwinnen.

  • Mijn grootste shock in dat debat was dat Baudet over de al of niet dreiging van Rusland, Jean-Claude Juncker in één adem noemde met Hitler omdat ze beide zoveel tegen Rusland hadden (gehad).
    Hij daarentegen vond juist dat je Rusland en Poetin tot vriend moest houden ook als hun vliegtuigen al boven ons luchtruim aan intimiderende verkenningsvluchten bezig waren en de Russen met hun Buk-raket de MH17 uit de lucht hadden geschoten.
    Baudet had duidelijk liever Poetin in zijn achtertuin dan mensen die uit nood huis en haard ontvluchten begreep ik.

Het grote niets van Rosanne Hertzberger

Het grote niets, met als ondertitel: Waarom we te veel vertrouwen hebben in de wetenschap, is een essay van Rosanne Hertzberger in de serie Nieuw Licht, bedacht door Frank Meester en Coen Simon.
De auteurs wordt een vraag voorgelegd waarop zij in een essay het antwoord trachten te vinden. In het geval van Hertzberger wordt verwezen naar Francis Bacon  bij de vraag hoe het kan dat in een tijd van groot geloof in harde wetenschap er zoveel animo is voor meditatie en mindfulness.

Bacon stelt in zijn tijd, in Novum Organum (1620) dat waarachtige inductie dè manier is om wetenschap te bedrijven. (Wat mij betreft is de man bijzonder eigentijds want juist in dat begrip waarachtig schuilt de hele problematiek die Hertzberger in haar essay aan de orde stelt).
Bacon waarschuwt de wetenschappelijk onderzoeker bij voorbaat: weet dat je zintuigen je kunnen bedriegen, dat je als onderzoekend subject bevooroordeeld bent, houdt rekening met de taal die wordt gebezigd, waarin eigentijdse generalisaties, nomen en waarden je af kunnen houden van objectieve waarheidsvinding en wees ook beducht voor verzinsels, fantasieën die meer gemeen hebben met theater dan met wetenschap.
Ik vertaal even op mijn manier wat er in het boekje over Bacon wordt gezegd en geciteerd.

Rosanne Hertzberger heeft zich wat mij betreft laten verleiden om haar aversie van meditatie en mindfulness leidend te laten zijn in haar betoog over het wel en wee van wetenschapsbeoefening.
Als ze terecht aantoont dat er sprake is van een valse verwetenschappelijking van meditatie- en mindfulness-technieken en hun effecten in het kader van commercialisering van deze in essentie uit de religie afkomstige praktijken heeft ze een punt.
De vraag waarom die behoefte aan wetenschappelijke legitimatie zo groot is beantwoordt ze als volgt: “Wetenschap is onze belangrijkste steunpilaar aan het worden. Het wekt de indruk van een bepaald soort nietsigheid; nihilisme”. Ze bedoelt hier, maak ik op, dat er niet meer sprake is van (grote) ideologieën. En ziet het terug in “evidence-based”-beleid (heeft ze wat tegen dus).
Het woord nihilisme duikt mij te vaak op en niet wordt helder gemaakt wat ze nu eigenlijk onder nihilisme verstaat. Immers de mens die waarachtig de waarheid zoekt en daaruit wil leren lijkt mij geen nihilist. (Niet lang geleden stierf de buitengewone man, wiskundeleraar, onderwijsonderzoeker en adviseur, Ido Abram, bepaald geen nihilist maar leren was voor hem het leitmotiv in zijn leven.)

De vrouw die in 2017 zich zo opwond over de technofobe consument en zijn anti-wetenschappelijke houding ten aanzien van voedsel en toegevoegde E-nummers in haar boek Ode aan de E-nummers stelt nu ronduit dat de wetenschap terug moet in haar hok omdat er zo vaak misbruik van wordt gemaakt.
Terwijl Bacon juist pleitte voor een zorgvuldig gebruik van wetenschap, voor een empirie die samenging met ethiek en zelfreflectie, vindt Hertzberger dat een hoop van de bewijslast overboord moet.
Uit haar essay blijkt dat ze weinig fiducie heeft in dè wetenschap. “Ons vertrouwen in wetenschap is te groot,” stelt ze op pag 59. “Wie zegt dat wetenschap ook vaak maar een mening is, heeft te vaak eenvoudigweg gelijk.”
Stel dit tegenover haar visie van 2 jaar geleden: “Technologie maakt ons leven lekkerder, veiliger en duurzamer”. En haar enthousiaste beschrijving van yoghurt: “Microbiologisch huzarenstukje en genetisch samenspel tussen lactobacillen en streptokokken, vernuftig aangevuld met  stofjes die de yoghurt mild en romig maken”.
En “E-nummers zijn de stofjes die voedselfabrikanten mogen toevoegen aan hun productie. Geen additief zo uitvoerig gecontroleerd, getest en veilig bevonden als die E-nummers,” aldus Hertzberger.

Wat is er zou je als buitenstaander zeggen in die twee jaar met Hertzberger gebeurd?
Meent ze serieus dat je de legitimaties van meditatietechnieken uit wetenschappelijke hoek als uitwas van commercialisering op de hak kan nemen, zonder ook maar enigszins twijfel te hebben over de “betrouwbare” testen en controles waar het ons zeer gecommercialiseerde voedsel betreft?
Het enige dat we weten is dat ze voor de tweede maal moeder is geworden, maar dat kan toch niet zo’n ommezwaai hebben veroorzaakt? Ze maakt er geen geheim van dat ze actief joods is, maar ook dat kan toch niet verklaren waarom ze ons nu opeens een goeroe aanraadt of een influencer. Iemand als Baudet misschien?

Enfin, ik kan het niet volgen.
Wat ik nog wel wil doen in deze blog is ontrafelen waar haar essay eigenlijk over gaat of wat mij betreft over zou moeten gaan:
1) Waarom ligt integere wetenschapsbeoefening zoals Bacon bedoelde, onder vuur?
Heeft dat met vermarkting te maken en zo ja, wat willen we eraan doen om integere wetenschapsbeoefening te beschermen als kwetsbaar goed? Hoe belangrijk is dat eigenlijk in een tijd dat feit en fictie steeds vaker als  een niet langer relevant verschil worden gezien?
Moeten we in dat verband toch weer terug naar een Kantiaans onderscheid tussen geloven en weten?
2) Waarom is in onze tijd de behoefte aan wetenschappelijk legitimatie zo groot en wat is daar tricky aan?
Ik heb daar ooit in 1981 een proefschrift over geschreven, althans ik heb daarin betoogd dat ervaringskennis even serieus moet worden genomen als wetenschappelijke of kwantificeerbare kennis en heb verwezen naar de zgn “Verdinglichung” van de mens, de mens die zelf object wordt in een tijd van vooruitgangsdenken en maakbaarheid.

En daar lijken Hertzberger en ik het in elk geval met elkaar eens: neem de mens, de persoon serieus.
Als die mens, persoon, zegt dat hij of zij baat heeft bij meditaties, waarom zou je dat per definitie wantrouwen en als er een onderzoek komt waarin wordt gesteld dat meditatietechnieken gunstig werken op DE hersenen (van iedereen dus) moet je dat geloven.

Laten we tenslotte met Bacon eens goed opletten op wetenschappers van het type Robbert Dijkgraaf.  Zegt hij in zijn publiekscolleges dat je als wetenschapper ook last hebt van je (beperkte) zintuigen? Merkt hij ook op dat hij maar een mens is met zijn vooroordelen en aangepastheid aan de wereld waarin hij leeft?
Vertelt hij ons wat over de dilemma’s die hij ervaart als wetenschapper?
Laat hij ons zien dat de toekomst niet vastligt maar juist ook door de invloed van de mens onderhevig kan zijn aan rampen en onverwachte scenario’s? Kortom waar is de twijfel bij Dijkgraaf? Waar is zijn bescheidenheid als wetenschapper en zijn zelfinzicht?

Maar ik kan me voorstellen dat Hertzberger zich liever waagt aan een hilarisch verhaal over Dorsey in Myanmar dan aan een kritische beschouwing over het aan de man brengen van de wetenschap als fantastisch vergezicht.

9 mei: honderd jaar vrouwenkiesrecht

9 mei 2019: honderd jaar vrouwenkiesrecht.
Jantine Oldersma die met Monique Leyenaar en Kees Niemöller het boek De hoogste tijd over 10 jaar vrouwenkiesrecht heeft geschreven legt in de Flexbieb op IJburg, waar zij en ook ik wonen, uit hoe het is gegaan.

Gedetailleerd vertelt ze hoe er tegen vrouwen door de eeuwen heen werd aangekeken.
De Franse revolutie met haar leus: vrijheid, gelijkheid en broederschap (haha) gaf een duidelijke impuls om het volk en minderheden (zoals ook joden) gelijke rechten te geven maar tijdens de Bataafse republiek (1795-1801) was de conclusie nog dat vrouwen geen burgers waren.
Gek genoeg was de nieuwe Grondwet van 1848 hier te lande, waarin het mannenkiesrecht werd uitgebreid, in feite geen beletsel voor het kiesrecht van vrouwen omdat het woord “mannelijk” er niet in stond. Er stond dus niet expliciet in dat vrouwen geen stemrecht hadden.

Pas toen de vrouwenvoorvechtster Aletta Jacobs, die arts was, in 1883 stelde dat ze toch gezien haar beroep en het feit dat ze belasting betaalde ook stemrecht wou hebben, werden de mannelijke politici wakker en kwam er een bepaling in de Grondwet waarin het stemrecht voor vrouwen expliciet onmogelijk werd gemaakt.
Daarna werd het helemaal een gevecht want een Grondwet verander je niet zo gauw en er waren geen gekozen vrouwen om invloed uit te oefenen.
De strijd moest dus van onderop komen. Het gevecht tegen met name de religieuze overtuiging dat God vrouwen had geschapen als ondergeschikt aan de man en geschikt voor de keuken en de kinderen, was een lastige en werd op twee fronten gevoerd.

Wilhelmina Drucker richtte in 1889 de Vrije Vrouwen Vereniging  op, die met name bij de arbeidersbeweging een voet tussen de deur wilde krijgen.
De Vereniging voor Vrouwenkiesrecht werd in 1894 opgericht en In 1907 scheidden Leidse en Haagse dames (volgens Jantine echte dames die zich ophielden in een elite-milieu) zich af en richtten de Bond voor Vrouwenkiesrecht op. Tegen die tijd  kregen ze eindelijk meer belangstelling van de toenmalige media, kranten.
Toch stelde de CHU-voorman A.F. de Savornin Lohman nog tezelfdertijd dat het geven van stemrecht aan vrouwen tegen de wil van God was en buitengewoon onhandig in het dagelijks leven.

In 1917 bereikte Troelstra een akkoord met de christelijke partijen. Het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het bijzonder onderwijs  kreeg voortaan evenveel recht op financiële steun van de overheid als het openbaar onderwijs. Dit werd de pacificatie van 1917 genoemd. En was het resultaat van een jarenlange schoolstrijd en strijd van de arbeidersbeweging om erkenning van  de rechten van arbeiders (het gewone volk).

Vandaag de dag gaan er overigens weer stemmen op om dit grondrecht tav het bijzonder onderwijs te schrappen naar aanleiding van vraagtekens bij de organisatie en inhoud van het islamitisch onderwijs.

Niet Troelstra maar Henri Marchant, progressief-liberaal zorgde ervoor dat “mannelijk” weer uit de Grondwet werd geschrapt en maakte de weg vrij voor vrouwen om gekozen te worden en vervolgens om in 1919 actief kiesrecht te krijgen.

De ARP en later de SGP waren partijen die nog veel moeite hadden met deze nieuwe trend.
In de jaren vijftig wisten de gekozen vrouwen de handelingsonbekwaamheid van vrouwen te tackelen en ook de verplichting om vrouwen te ontslaan als ze trouwden.
Bij de ARP was Fenna Diemer-Lindeboom per vergissing lid geworden en in 1963 werd Jacqueline Rutgers verkozen in de Tweede Kamer.
Het duurde tot 4 maart 2016 voor de SGP tenslotte een vrouw in de gemeenteraad had.
Hoe dat in zijn werk ging en de SGP uiteindelijk werd gedwongen om niet langer een obstakel te vormen voor de uitoefening van een grondrecht is een heel verhaal.
Jantine memoreerde de stugge pogingen van het Clara Wichmann-fonds om hier wat aan te doen. Volgens haar kregen ze uiteindelijk hun zin omdat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de Nederlandse staat aansprak op de mogelijkheid de SGP verdere subsidie te weigeren.

Volgens mijn inside-informatie lag aan  deze procedure ten grondslag de implementatie van het VN Vrouwenverdrag. Wilt u meer weten over de lijdensweg die zowel dit Verdrag als ik ben gegaan in dat verband, kijk dan nog even naar mijn blog: “Kafka in de polder of het rapport dat niet mocht verschijnen” van 7 juni 2017.
De tweede feministische golf aangestoken (beetje vreemde beeldspraak misschien) door Joke Smit vond plaats in de jaren zeventig, toen inmiddels Marga Klompé al in 1965 met de introductie van de Algemene Bijstandswet vrouwen de mogelijkheid had gegeven van een huwelijk af te komen zonder dat ze geheel brodeloos zouden zijn.

Mijn eigen ervaringen eind jaren 70 spreken soms boekdelen.
Zo was mijn partner toen voorzitter van de PvdA en deelde mijn en onze stonde met de mededeling dat de PvdA eraan dacht een Rooie Vrouwenafdeling in Leiden op te richten. Dat was niet nodig volgens hem want we hadden toch de actieve Kock Kerling (enige vrouw in de raad). Tussen haar en mij was er later nog een discussie over het thema: als vrouwen in de politiek veel meer aanwezig zijn verandert er dan wat in het politieke klimaat. Kock zei: nee, ik zei: ja.
Als ik Jantine Oldersma en haar medeauteur Kees Niemöller moet geloven, heeft Kock gelijk gekregen en is het effect in de politiek minimaal gebleken.
Vrouwen stemmen niet anders dan mannen behalve bij populistische partijen waar mannen duidelijk vaker op stemmen en meer aanwezig zijn.
Al was het dat, dan is onze strijd toch niet voor niets geweest denk ik dan!

Enfin voor de liefhebbers: er zijn een aantal blogs aan het thema emancipatie gewijd.
Zie “Terug in de tijd” van 11 januari 2018
Zie “Gloort er nog hoop als het gaat om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen” van 10 januari 2017 en “Boeman of bedreigde witte man” van 2 september 2017.

Moeilijke keuze

Ik betrap me erop dat ik het lastig vind deze week een blog te schrijven want waar moet die over gaan?
Over 1 mei, de dag van de arbeid?
De dag die me eraan herinnert dat we meer dan 30 jaar geleden op bijeenkomsten van de PvdA In Leiden met het 1 mei-koor uit volle borst de Internationale zongen.
Als ik de tv-beelden uit India zie van grote groepen demonstranten die strijden voor verbetering van hun arbeidsomstandigheden en positie onder het motto: arbeiders verenigt u, kan ik nòg sentimenteel worden.

Of moet het gaan over 2 mei, over Jom Hasjoa. Oorspronkelijk Jom Hasjoa en Weharewoera. De dag van de vernietiging en heldendom, want in het Israël van 1953, toen deze dag voor het eerst werd gehouden moest juist ook het joods verzet en de opstand  van het getto van Warschau worden herdacht. Inmiddels is het hier te lande een alternatief geworden voor de herdenking op de Dam die breed uitwaaiert over vele categorieën slachtoffers.
Deze herdenking werd voorafgegaan door een middag in het Verzetsmuseum waar de gelegenheid werd geboden de namen te noemen van familieleden die niet meer terug waren gekomen en van wie het nageslacht vaak niets meer weet.
Zo vertelde een man van in de zestig dat hij dankzij een recent opgedoken foto van zijn vermoorde oma, die hij nooit heeft gekend, een geheel vernieuwde relatie met haar heeft gekregen doordat hij iedere dag haar portret ziet, begroet en toespreekt. Hij vindt haar steeds mooier en gaat van haar houden.

Of misschien over 3 mei, de dag van de empathie, begreep ik pas onlangs, maar ook en misschien belangrijker, de internationale dag van de persvrijheid, nu pijnlijk duidelijk wordt hoe riskant het beroep van journalist eigenlijk is zeker als je waarheidszoeker bent en misstanden boven tafel wilt krijgen. Riskanter dan het werken bij een mijnen-opruim-dienst zo meldde een bericht in de Volkskrant.

Of 4 mei, de dag van de officiële  dodenherdenking, waar ieder jaar de vraag is of niet weer nieuwe groepen ter herdenking moeten worden opgevoerd. Zoals enkele jaren terug de kwestie speelde of niet een familielid die (aan de verkeerde kant) aan het Oostfront vocht en daar gesneuveld was niet moest worden herdacht; of  een ander onlangs publiekelijk stelde dat het tijd werd dat de Indonesische bevolking die  door ons toedoen was vermoord wordt herdacht.
4 mei, de dag die op tv wordt afgesloten met een documentaire over Gemmeker, de kampcommandant in  Westerbork, die we op een fototentoonstelling in het Holocaustmuseum aantreffen, terwijl hij met Aus der Fünten het glas heft, vergenoegd over de vlot verlopende deportaties.
Dezelfde Gemmeker over wie Ad van Liempt een boek heeft geschreven en die zich in heel wat meer aandacht mag verheugen dan die grootmoeder van wie het kleinkind nu pas een portret heeft kunnen bemachtigen maar van wie hij nog steeds de naam niet kent.

Of 5 mei, de dag van de vrijheid, die terecht in ons land wordt gevierd met vrijheidsmaaltijden en lezingen en het besef dat vrijheid niet vanzelfsprekend is.
Maar ook dat door de tijd heen, de vrijheid (van bewegen) van de één (die oorlog en ellende ontvlucht) niet de vrijheid van de ander is, die zich als globetrotter of toerist of zakenman vrij over alle grenzen heen kan bewegen. Zoals we op 4 mei al gezien en gehoord hadden.
En dan heb ik het nog niet over het misbruik van het woord vrijheid dat door de politiek of politieke partijen kan worden gemaakt om de ander van die vrijheid uit te sluiten.
Het is moeilijk kiezen deze week maar misschien houden al die dagen wel verband met elkaar en kan er zonder waarheidsvinding en het aan de kaak (kunnen) stellen van misstanden en onrecht  en zonder empathie geen internationale solidariteit zijn, wat in zijn uiterste consequentie kan leiden tot genocide en uitroeiing van bevolkingsgroepen.
En uiteindelijk de ondermijning van de vrijheid voor iedereen.