Anders en toch zo nabij

Kan dat, dat je van iemand niets begrijpt, zijn of haar taal niet spreekt, met wie slechts een heel beperkte communicatie mogelijk is, en zeker geen digitale, maar dat je toch veel van hem of haar houdt, van deze ‘vreemdeling’?

Dat kan en dan heb ik het niet over een baby maar over mijn ruwharige teckel van veertien jaar: Moes.
Moes is voor mij een klein wonder.
Zonder enig besef van haar minimale afmetingen, ouderdom, kwetsbaarheid of van hoe ze overkomt bij andere van haar soortgenoten of bij ons mensen, is ze zichzelf, onmiskenbaar zichzelf.

Wij zouden zeggen: ze is zelfbewust, maar dat is ze nu net niet, ze is zelf-on-bewust.
En daarmee gedraagt ze zich authentiek.
Ze doet wat in haar opkomt.
Ze eet en drinkt als ze er behoefte aan heeft en als ik haar uitlaat doet ze een plas en een minuscule poep, snuffelt fanatiek en dat is het dan.*
Ze holt vrolijk over het uitlaatstrand, geeft een grotere wat opdringerige hond een snauw als hij haar grenzen overschrijdt en als ze er genoeg van heeft en dat is de laatste tijd eerder dan een jaar geleden, loopt ze op haar kleine pootjes weer terug richting fiets.
Ik til haar op en zet haar in haar mandje en thuisgekomen krijgt ze nog een hondenkoekje in haar mand. Staartje omhoog want daar doe ik haar steeds plezier mee.

Ze heeft geen last van angsten (mijn vorige hond leek nog wel eens een nare droom te hebben) of zorgen voor de dag van morgen, laat staan voor een oplevende Covid, de klimaatcrisis, de stijgende prijzen, het incompetente gedoe in Den Haag, de opkomst van extreem rechts, ze houdt zich er niet mee bezig.
Het enige wat haar interesseert, is, of het regent of koud is.
Dan piept ze (want echt blaffen doet ze niet) en wil duidelijk al heel snel weer terug naar haar manden. Ze heeft er namelijk twee. Een kleine op maat en een grote van mijn vorige hond.

Wat ik echt heel bijzonder vind: Moes lijdt niet aan rancune.
Ze is op haar twaalfde door haar bazen afgeleverd bij het Amsterdamse asiel om niet traceerbare redenen. Maar het heeft bij Moes niet minder vertrouwen in de mens opgeleverd. Moes kan ook na deze onvergeeflijke daad met iedereen opschieten, met mens, dier en zeker ook met kleine kinderen.
In dat verband is ook opmerkelijk hoe flexibel Moes is en hoe weinig standgevoel ze heeft.
Ze is een rashond en heet volgens haar paspoort eigenlijk Hadewych, maar dat ze nu al zoveel jaar Moes wordt genoemd en van de ene dag op de andere tussen zwerfhonden moest verkeren, het deerde haar niet.

Toch is ze ook weer geen allemansvriend. Moes gaat haar eigen gang.
Als ik haar graag ’s avonds op de bank naast me wil om gezellig tv te kijken, staart ze dan zo naar de grond waar ze duidelijk naar toe wil, aarzelend of ze de sprong zal wagen, dat ik het niet over mijn hart verkrijg haar nog langer mijn gezelschap op te dringen.
Wel komt ze als ik naar haar idee wat lang op bed lig haar koppie om de deur steken om me even later vrolijk kwispelend te begroeten.
Uit hoeft ze dan nog niet, maar kennelijk wil ze toch nog even verifiëren of ik er nog ben (eigen interpretatie).

Moes is een raadsel voor me en me ook heel nabij.
Ze is er gewoon altijd.
Dat is haar geheim.
In welke omstandigheden ik ook ben, of ik nu een behoorlijke tijd weg ben geweest (dan kon mijn vorige hond nog wel eens uit balorigheid al mijn kranten verscheuren), hoe mijn humeur ook is, ze ligt in haar mandje en straalt een zekere rust uit.
Ze is precies wat ik hierboven schetste, ze is een levend wezen, een personality, die mij gezelschap houdt en niets vraagt, me niets verwijt en geen schuld of schaamte kent.
Ze vraagt geen erkenning, zit niet de godganse dag op sociale media of vraagt erom ‘gezien’ te worden.
Ze hoeft niets te bereiken.
Ze ìs.
Lang leve Moes!

  • In het juninummer van de IJopener is het gedicht ‘Uitgelaten’ opgenomen.
    Staat ook op de website van de IJopener: www.ijopener.nl

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.