Haat om de haat alleen

In mijn vorige blog heb ik een pleidooi gedaan voor mildheid, nu wil ik in gaan op een fenomeen dat zich in onze samenleving steeds duidelijker manifesteert, namelijk haat om de haat alleen. Uitingen zijn vooral te vinden op de sociale media, maar monden steeds vaker uit in persoonlijke bedreigingen van degenen die het algemeen belang dienen en onze instellingen draaiende houden.

Bas Heijne heeft in de publicatie Nationaal socialisme als rancuneleer, een heruitgave het licht doen zien van de brochure van Menno ter Braak uit 1937 met een voorwoord van hemzelf. Daarin wijst hij op de actualiteit van wat Ter Braak aan de orde stelt in zijn geschrift. Menno ter Braak houdt ons tachtig jaar na het uitkomen van zijn Nationaal socialisme als rancuneleer een spiegel voor, aldus Heijne.
Die rancune is niet een uitwas van het nationaal socialisme maar zit in ons allen haalt hij Ter Braak aan. Heel de samenleving is doortrokken van nijd, wrok en afgunst zoals Ter Braak opmerkt, en dat is aldus Heijne geen gemakzuchtig relativisme of het bagatelliseren van gevaarlijke tendensen.

Die rancune kan gemakkelijk een eigen leven gaan leiden en doel op zichzelf worden, waarop het democratisch proces geen greep meer heeft. Wanneer die rancune opnieuw wordt ingezet door een politiek die het ressentiment als bindmiddel propageert en dus altijd een zichtbare of onzichtbare vijand in het vizier heeft, een vijand die ‘achter de schermen’ op jouw vernietiging uit is, lopen democratie en rechtstaat uiteindelijk werkelijk gevaar, aldus Heijne.

Waar komt die rancune vandaan?
‘Het is’, aldus Ter Braak ‘de gelijkheid als ideaal die gegeven de biologische en sociologische onbestaanbaarheid van gelijke mensen de rancune promoveert tot een macht van de eerste rang in de samenleving; want wie niet gelijk is aan de ander en toch gelijk aan die ander wenst te zijn, wordt niet naar standen of kasten op zijn nummer gezet, maar hem wordt een premie toegekend! Zijn streven naar gelijkheid wordt theoretisch rechtvaardig geacht ook door degenen die er geen ogenblik aan zullen denken praktisch voor de verwezenlijking van een gelijkheid, die in hun nadeel zou zijn, iets te doen! Ziedaar de grote paradox van een democratische maatschappij waarin de rancune niet alleen aanwezig is, maar ook wordt aangemoedigd als mensenrecht!’ (Ter Braak, pag 36).
In de negentiende eeuw heeft het liberale vooruitgangsdenken korte metten gemaakt met het idee van ongelijkheid, zonder oog te hebben voor het daarmee gepaard gaande groeiende ressentiment. Dat wordt veroorzaakt door de discrepantie tussen ‘het recht op alles’ en ‘het bezit van weinig’ (Heijne, pag 14-15).

Is dat zo?

1  Heeft het liberale vooruitgangsdenken korte metten gemaakt met het idee van ongelijkheid? Of is het zo dat eind negentiende en begin twintigste eeuw er is gevochten om gelijke rechten ten koste van heel wat levens?
Waar blijft het socialisme en de sociaal democratie in dat verhaal en het vroege feminisme niet te vergeten?
2  Is de rancune en de rancuneleer in het Duitsland van de twintiger en dertiger jaren niet ontstaan vanuit (het aanwakkeren van) de rancune tegen de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog en hun vernederende eisen? Kortom vanuit het belang om te tamboereren op de nationale trots en de projectie van rancune op een vermaarde zondebok (de Joden). En niet vanwege de frustratie over de discrepantie tussen ‘het recht op alles’ en ‘het bezit van weinig’?
3  Schaart Heijne zich met Ter Braak in de rij modieuze critici op al hetgeen aan mensenrechtenverdragen is tot stand gebracht zeker na 1945? Zie bijv Mark Elchardus over de nonsens dat individuen rechten krijgen toebedeeld los van hun gemeenschap (de Volkskrant, 15-1-2022).
4  Is Ter Braak hoewel hij de democratie verdedigt misschien toch (stiekem) een aanhanger van een meritocratie waar duidelijk sprake is van een scheiding van een heersende elite en een rangen- of kastenmaatschappij, waar mensen niet op het idee komen om rechten op te eisen?

Ik zie onze samenleving en onze democratie als in een voortdurende ontwikkeling en een (soms hevige) botsing van belangen met ook natuurlijk alle risico’s van dien.
Dat die botsing er is en die conflicten boven tafel komen is zelfs waar onze samenleving zijn waarde aan ontleent.
Dat we in die botsing toch streven naar redelijkheid en uitgaan van de gelijkwaardigheid van mensen is niet een afwijking van een intellectuele elite maar voorwaarde om ons soort samenleving te kunnen handhaven.
Evenals de voorwaarde dat we niet gewelddadig worden of dat politici opstaan die haat om de haat verkondigen!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.